ECLI:NL:HR:2002:AE9358
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel Hof over niet-verhuizing voor belastingaanslag 1998
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 67.233. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
Het Hof oordeelde dat er geen sprake was van kosten van verhuizing zoals bedoeld in artikel 36, lid 2, aanhef en letter d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, omdat belanghebbende in het jaar waarin zij in R werkte en een opleiding volgde, in Z bleef wonen. Hierdoor kon niet worden aangenomen dat sprake was van een verhuizing van Z naar R. Dit oordeel was niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en kon in cassatie niet worden getoetst.
Daarnaast klaagde belanghebbende dat het Hof buiten de rechtsstrijd was getreden door ook andere feiten te betrekken bij zijn oordeel. De Hoge Raad verwierp dit, omdat die feiten onbetwist of onvoldoende betwist waren en dus binnen de rechtsstrijd vielen.
De Hoge Raad vond geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat geen sprake is van verhuizing voor aftrek van verhuis- kosten.