ECLI:NL:HR:2002:AE9087

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00090/02
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 lid 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 366 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens overschrijding redelijke termijn niet bewezen

De verdachte werd door het Hof te 's-Gravenhage veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994, met een geldboete, hechtenis en ontzegging van de rijbevoegdheid. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

Het cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De verdachte stelde dat het Openbaar Ministerie nalatig was geweest in het informeren over het arrest, waardoor onnodige vertraging was opgetreden.

De Hoge Raad oordeelde dat de raadsman van de verdachte tijdens de zitting en daarna contact had met de verdachte en dat de raadsman de verdachte naar behoren had geïnformeerd over de uitspraak. Hierdoor kon de vertraging niet aan het Openbaar Ministerie worden toegerekend.

Het middel faalde en het beroep werd verworpen. De Hoge Raad vond geen reden tot ambtshalve vernietiging van het arrest van het Hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen wegens onvoldoende bewijs van overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

19 november 2002
Strafkamer
nr. 00090/02
LR/SMA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 maart 1999, nummer 22/002055-98, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Maashegge-Ter Peel" te Overloon.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 3 september 1997 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van artikel 8, tweede lid aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994" en 2. "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van duizend gulden, subsidiair twintig dagen hechtenis, met ten aanzien van feit 1 ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf, als in het arrest bepaald.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Daartoe wordt aangevoerd dat tussen de uitspraak van het Hof op 29 maart 1999 en het instellen van het cassatieberoep door de verdachte op 2 november 2001 door het Openbaar Ministerie geen activiteiten zijn ontplooid met het oog op de mededeling van 's Hofs uitspraak aan de verdachte, zodat deze vertraging in de procedure voor rekening van het Openbaar Ministerie dient te komen.
3.2. Blijkens de stukken van het geding heeft de raadsman van de verdachte bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 1999 het woord tot verdediging gevoerd en vervolgens na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting doch vóór de uitspraak een door de verdachte ondertekende verklaring van 23 maart 1999 aan het Hof gezonden, inhoudende het aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte. In aanmerking genomen dat de Advocaat-Generaal bij het Hof klaarblijkelijk heeft gemeend en mocht menen dat in de omstandigheden van dit geval - waarin de raadsman tussentijds contact heeft gehad met de verdachte - de raadsman de verdachte op de hoogte heeft gesteld van de inhoud van de uitspraak van het Hof, behoort de onder 3.1 vermelde vertraging niet voor rekening van het Openbaar Ministerie te komen.
3.3. Het middel faalt derhalve.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Braber, en uitgesproken op 19 november 2002.