ECLI:NL:HR:2002:AE8374
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. Van Brunschot
- P. Lourens
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing kinderbijslag op grond van verzekeringsstatus volgens AKW
Belanghebbende verzocht om kinderbijslag over de periode van het derde kwartaal 1995 tot en met het eerste kwartaal 1998. Het bestuur wees dit verzoek bij besluit van 5 februari 1998 af, waarop belanghebbende bezwaar maakte. Dit bezwaar werd op 23 juli 1998 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, die het beroep op 11 november 1999 ongegrond verklaarde.
Belanghebbende ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die de uitspraak van de rechtbank bevestigde. Belanghebbende stelde daarop cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De klacht richtte zich tegen het oordeel van de Centrale Raad dat belanghebbende niet verzekerd was op grond van artikel 6, lid 1, letters a en b, van de AKW. Belanghebbende voerde aan dat dit oordeel in strijd was met artikel 6, lid 4, letter b, van de AKW, omdat hij vanaf het vierde kwartaal 1997 een verblijfsvergunning had.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 6, lid 4, van de AKW in het bestreden tijdvak nog niet van kracht was en dat de stelling dat een vreemdeling met een verblijfsvergunning automatisch als ingezetene wordt beschouwd, geen steun vindt in het recht. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee de eerdere uitspraken. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van kinderbijslag wordt bevestigd.