ECLI:NL:HR:2002:AE8372

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37603
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 11 lid 13 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 10 lid 11 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid Minister inzake energie-investeringsaftrek en tijdige aanmelding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een door de Minister van Economische Zaken verstrekte verklaring over investeringen voor doelmatig energiegebruik, relevant voor de energie-investeringsaftrek. De Minister wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Dit College verklaarde het beroep ongegrond.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad overwoog dat het eerste middel, dat de bevoegdheid van de Minister betrof, niet tot cassatie kon leiden omdat het niet ging over de begrippen investeren of bedrijfsmiddelen zoals vereist. Het tweede middel, een motiveringsklacht over het tijdstip van het aangaan van investeringsverplichtingen, kon eveneens niet tot cassatie leiden.

De Hoge Raad veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten en verklaarde het beroep ongegrond. Hiermee werd het oordeel van het College bevestigd dat de Minister bevoegd is en dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor latere investeringsverplichtingen dan 19 maart 1998.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het College bevestigd.

Uitspraak

Nr. 37.603
4 oktober 2002
S
gewezen op het beroep in cassatie van X N.V. te Z tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 10 juli 2001, nr. AWB 99/657, betreffende na te melden besluit van de Minister van Economische Zaken.
1. Besluit, bezwaar en geding voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven
Belanghebbende heeft tegen de haar door de Minister van Economische Zaken (hierna: de Minister) nader verstrekte verklaring omtrent investeringen, van belang voor een doelmatig gebruik van energie, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) een bezwaarschrift ingediend.
De Minister heeft bij besluit van 29 juni 1999 het bezwaar afgewezen.
Tegen dit besluit heeft belanghebbende beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College).
Het College heeft bij zijn in hoofde van dit arrest vermelde uitspraak het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het College is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het College beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. De in cassatie bestreden uitspraak van het College betreft een verklaring in het kader van de toepassing van de energie-investeringsaftrek. Beroep in cassatie tegen een zodanige uitspraak kan op de voet van artikel 11, lid 13, van de Wet in samenhang met artikel 10, lid 11, tweede en derde volzin, van de Wet (tekst 1998) worden ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel 11, lid 1, eerste volzin, letter b, van de Wet met betrekking tot de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen.
Het eerste middel klaagt niet over schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren of bedrijfsmiddelen, maar bestrijdt het oordeel van het College dat de Minister bevoegd is te beoordelen of de energie-investering tijdig is aangemeld. Het eerste middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
3.2. Het tweede middel keert zich met uitsluitend een motiveringsklacht tegen het oordeel van het College dat belanghebbende niet erin is geslaagd aan te tonen dat de investeringsverplichtingen zijn aangegaan op een tijdstip na 19 maart 1998. Het tweede middel klaagt aldus evenmin over schending of verkeerde toepassing van het begrip investeren of het begrip bedrijfsmiddelen, en kan derhalve ook niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2002.