ECLI:NL:HR:2002:AE8370
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongelijkheid in verrekeningstermijnen investeringsbijdragen en verliezen
Belanghebbende kreeg voor 1997 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, waarbij investeringsbijdragen deels in mindering waren gebracht. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden doordat herleefde investeringsbijdragen een nieuwe verrekeningstermijn krijgen, terwijl gewone investeringsbijdragen dat niet doen.
De Hoge Raad overwoog dat de regeling voor herleefde investeringsbijdragen is bedoeld om verliesverrekening niet te beperken en dat deze fictieve investeringsbijdragen niet gelijk zijn aan gewone investeringsbijdragen. Daarom is sprake van ongelijke gevallen die verschillend mogen worden behandeld. Ook het betoog van verboden discriminatie faalt omdat er geen overduidelijke onevenredigheid is.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft de uitspraak van het Hof in stand dat de aanslag terecht is opgelegd en gehandhaafd.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 23b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en bevestigt het onderscheid tussen gewone en herleefde investeringsbijdragen in de fiscale verrekening.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het onderscheid in verrekeningstermijnen van investeringsbijdragen.