ECLI:NL:HR:2002:AE8367

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37399
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • P.J. van Amersfoort
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45b Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 38 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 45 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 11, lid 1, letter i, aanhef en onder 1° Wet op de loonbelasting 1964
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen aftrek pensioenpremie in 1997 zonder expliciete afspraken

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1997 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 134.434. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Het Hof bevestigde deze uitspraak en oordeelde dat belanghebbende geen recht had op aftrek van een pensioenpremie in 1997, omdat hierover geen expliciete afspraken waren gemaakt en de pensioenregeling pas in 1998 werd vastgesteld.

Belanghebbende stelde dat het onverenigbaar was dat het salaris, deels pas in 1998 vastgesteld, wel in 1997 tot het inkomen werd gerekend, terwijl de pensioenpremie niet aftrekbaar zou zijn. De Hoge Raad verwierp deze klacht. Het Hof had terecht geoordeeld dat een na 1997 gemaakte afspraak over pensioenbijdragen niet betekent dat een ingehouden premie in 1997 niet tot het loon behoorde te worden gerekend.

De Hoge Raad benadrukte dat er geen sprake kon zijn van een ingehouden premie in 1997, omdat de verplichting tot pensioenbijdrage nog niet bestond. Ook was niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor aftrek van premies voor lijfrenten. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat geen aftrek van pensioenpremie in 1997 mogelijk is zonder expliciete afspraken.

Uitspraak

Nr. 37.399
4 oktober 2002
WM
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 5 juni 2001, nr. 99/00669, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 134.434, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat hetgeen partijen blijkens de inhoud van hun brieven zijn overeengekomen, moet worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst welke bindend is voor beide partijen, en dat deze overeenkomst, gelet op de in onderdeel 2.7 van zijn uitspraak weergegeven inhoud van de tussen partijen gewisselde brieven, moet worden uitgelegd in de door de Inspecteur voorgestane zin. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De tegen dit oordeel gerichte klachten falen derhalve.
3.2. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft - het Hof bedoelt klaarblijkelijk: in 1997 - op aftrek van een premie voor een pensioenregeling, aangezien over de pensioenpremie tussen belanghebbende en de Inspecteur geen expliciete afspraken zijn gemaakt en de bepalingen omtrent het pensioen pas in 1998 zijn vastgesteld. Belanghebbende bestrijdt dit oordeel met de klacht dat het onverenigbaar is met het oordeel dat het salaris, dat eveneens deels pas achteraf, in 1998, is vastgesteld, wel in 1997 tot het inkomen wordt gerekend.
Ook deze klacht faalt. Weliswaar heeft het Hof geoordeeld dat de hiervoor in 3.1 bedoelde overeenkomst, gelet op haar inhoud, niet aan een aftrek van een pensioenpremie in de weg staat. Het Hof is echter kennelijk en niet onbegrijpelijk ervan uitgegaan dat die overeenkomst niet mede inhoudt dat een eventueel na het onderhavige jaar (1997) tussen D B.V. en belanghebbende gemaakte afspraak dat laatstgenoemde een eigen bijdrage dient te voldoen voor zijn pensioenregeling, tot gevolg zou hebben dat belanghebbende een ingevolge die afspraak ingehouden, op het onderhavige jaar betrekking hebbende bijdrage voor de pensioenregeling niet tot het loon behoeft te rekenen. Daarvan uitgaande en in aanmerking nemende dat de bepalingen omtrent het pensioen pas in de loop van 1998 zijn vastgesteld, heeft het Hof terecht beslist dat van een in het onderhavige jaar op het brutoloon ingehouden premie voor een pensioenregeling geen sprake kan zijn geweest, en zich met betrekking tot de betaling van de pensioenpremie geen moment als bedoeld in artikel 45b, juncto artikel 38 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 heeft voorgedaan. Van bedragen die worden ingehouden als verplichte bijdrage ingevolge een pensioenregeling, als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter i, aanhef, en onder 1°, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1997) kan immers geen sprake zijn als de werknemer tot het doen van die bijdrage nog niet verplicht is. Evenmin kan dan sprake zijn van het betaald of verrekend zijn van premies voor lijfrenten, als bedoeld in artikel 45b, lid 1, letter b, jo. artikel 38, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1997), nog daargelaten dat hier klaarblijkelijk niet is voldaan aan de vereisten van artikel 45, lid 7, van laatstgenoemde wet.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2002.