ECLI:NL:HR:2002:AE8172
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Vaststelling tijdelijke gebruiksovereenkomst woning en retentierecht na doorverkoop
In deze zaak vorderde de eigenaar ontruiming van een woning en schadevergoeding van de gebruikers, die stelden een huurovereenkomst te hebben waarbij zij werkzaamheden verrichtten als tegenprestatie. De rechtbank oordeelde dat er geen huurovereenkomst bestond en wees het beroep op een retentierecht af. Het hof bekrachtigde dit oordeel en verklaarde de ontruiming uitvoerbaar bij voorraad.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof ten onrechte aannam dat een ontbindende voorwaarde in een huurovereenkomst van woonruimte mogelijk is, terwijl artikel 7A:1623n BW dit verbiedt. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof onjuist met artikel 3:294 BW Pro was omgegaan met betrekking tot het beëindigen van een retentierecht door onvrijwillige ontruiming onder dwangsom.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling. Daarbij werd ook overwogen dat de verkoopprijs van de woning niet zonder meer de waarde bepaalt waarop het retentierecht kan worden gebaseerd. De kosten van het cassatiegeding werden aan de zijde van eisers opgelegd aan verweerder.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en verwijst zaak terug voor verdere behandeling over ontruiming en retentierecht.