ECLI:NL:HR:2002:AE7318

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37534
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • J.C. van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt winstuitkering als grondslag voor navorderingsaanslag inkomstenbelasting

Belanghebbende, die middellijk directeur en enig aandeelhouder is van een besloten vennootschap (BV), kreeg voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van f 21.086. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van f 60.356, welke na bezwaar en beroep bij het Hof werd gehandhaafd.

De kern van het geschil betrof de vraag of de bedragen die de BV ontving voor opdrachten maar niet in de bedrijfsadministratie had opgenomen en die door belanghebbende voor privé-uitgaven waren gebruikt, als winstuitkering konden worden aangemerkt. De Inspecteur stelde dat deze onttrokken gelden tot het belastbaar inkomen van belanghebbende moesten worden gerekend.

Het Hof oordeelde dat de onttrekking als een winstuitkering kon worden beschouwd die anticipeert op toekomstige winst, waarbij het Hof terecht rekening hield met de omzetontwikkeling en gerealiseerde winst na 1993. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de waardering van verwachtingen omtrent toekomstige winst aan de feitenrechter is voorbehouden.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees een veroordeling in proceskosten af. Hiermee blijft de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag op basis van winstuitkering.

Uitspraak

Nr. 37.534
6 september 2002
DG
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 20 juli 2001, nr. 00/00115, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 21.086.
Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 60.356, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De besloten vennootschap waarvan belanghebbende (middellijk) directeur en enig aandeelhouder is (hierna: de BV), heeft in het onderhavige jaar voor de uitvoering van opdrachten ontvangen bedragen niet in de bedrijfsadministratie opgenomen.
Belanghebbende heeft deze bedragen besteed aan privé-uitgaven.
De Inspecteur heeft deze bedragen aangemerkt als door belanghebbende te zijn onttrokken aan de winst van de BV. De onttrokken gelden zijn bij belanghebbende tot het belastbaar inkomen gerekend.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht de vorenvermelde bedragen als aan belanghebbende uitgedeelde winst heeft aangemerkt.
3.3. Het middel richt zich onder meer tegen 's Hofs oordeel dat de onttrekking kan worden aangemerkt als een winstuitkering welke anticipeert op in de nabije toekomst te behalen winst. Volgens het middel heeft het Hof daarbij ten onrechte in aanmerking genomen de omzetontwikkeling en de gerealiseerde winst na 1993. Het middel faalt in zoverre. Het Hof is terecht uitgegaan van de ten tijde van de onttrekking bestaande verwachtingen omtrent de toekomstige winst en omzet. De waardering van die verwachtingen is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.
Het hiervóór weergegeven oordeel kan 's Hofs beslissing zelfstandig dragen zodat het middel voor het overige geen behandeling behoeft.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2002.