Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2002:AE5300

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37073
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.C. van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 34 Belastingregeling voor het Koninkrijk
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt belastingheffing bij grensoverschrijdende fiscale eenheid zonder rekening te houden met onderlinge vorderingen

Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap die haar feitelijke leiding naar de Nederlandse Antillen heeft verplaatst, kreeg voor het jaar 1991 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd over een belastbaar bedrag van ƒ 2.848.775. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Het Hof oordeelde dat binnen de fiscale eenheid, ook bij grensoverschrijdende toepassing, onderlinge schulden en vorderingen buiten beschouwing blijven voor de belastingheffing.

Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte deze onderlinge schulden en vorderingen niet had meegewogen. De Hoge Raad overwoog dat de fiscale eenheid als zodanig meebrengt dat deze vorderingen geacht worden niet te bestaan voor de heffing van vennootschapsbelasting, ook als de moedermaatschappij in de Nederlandse Antillen woont en de dochtermaatschappijen in Nederland gevestigd zijn.

De Hoge Raad benadrukte dat de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) de Nederlandse heffingsbevoegdheid beperkt voor de winst van belanghebbende, maar niet voor de winst van de Nederlandse dochtermaatschappijen. Hierdoor ontstaat een situatie waarin rente-inkomsten in de Nederlandse Antillen belast kunnen worden, terwijl rente-uitgaven in Nederland niet aftrekbaar zijn, hetgeen geen strijd oplevert met de BRK.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het oordeel van het Hof. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat onderlinge schulden en vorderingen binnen de fiscale eenheid niet worden meegenomen bij de vennootschapsbelastingheffing.

Uitspraak

Nr. 37.073
20 december 2002
EC
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V., statutair gevestigd te Z, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 maart 2001, nr. BK-98/03693, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 2.848.775, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 11 juni 2002 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, opgericht naar Nederlands recht, heeft haar feitelijke leiding overgebracht naar de Nederlandse Antillen. Daaraan voorafgaand heeft zij aandelen in dochtervennootschappen, activa en passiva, en onroerende zaken verkocht aan in Nederland gevestigde vennootschappen, met welke zij een fiscale eenheid vormt, waarvan belanghebbende de moedermaatschappij is. De koopsommen zijn door deze vennootschappen schuldig gebleven. Belanghebbende ontvangt te dier zake rentebetalingen van twee dochtermaatschappijen.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat op grond van het karakter van de fiscale eenheid, dat meebrengt dat onderlinge schulden en vorderingen voor de heffing van vennootschapsbelasting, ook in geval van een grensoverschrijdende fiscale eenheid, niet in aanmerking worden genomen, het belastbare bedrag van belanghebbende geen element betaalde rente bevat, anders dan betaalde rente aan crediteuren die geen deel uitmaken van de fiscale eenheid. De middelen komen tegen dit oordeel op in hoofdzaak met het betoog dat het Hof ten onrechte de onderlinge schulden en vorderingen buiten aanmerking heeft gelaten.
3.3. Voor de heffing van de vennootschapsbelasting worden aan belanghebbende toegerekend de bezittingen en schulden van de met haar op de voet van artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) gevoegde dochtermaatschappijen. Nu belanghebbende ingevolge artikel 34 van Pro de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK) inwoner van de Nederlandse Antillen is, staat de BRK in de weg aan de Nederlandse heffingsbevoegdheid, echter uitsluitend voor wat betreft de winst behaald door belanghebbende. De met belanghebbende gevoegde dochtermaatschappijen vallen niet onder de werking van de BRK, zodat voor het heffen van belasting over de door hen behaalde winst uitsluitend de Nederlandse regels, met inbegrip van die met betrekking tot de wijze van belastingheffing bij een fiscale eenheid, om welk regime belanghebbende zelf heeft verzocht, van toepassing zijn. De winst van deze dochtermaatschappijen kan in Nederland worden belast als ware deze door belanghebbende behaald met behulp van een vaste inrichting in Nederland. Dientengevolge zal bij de bepaling van de winst geen betekenis moeten worden toegekend aan de vorderingen van belanghebbende op de met haar gevoegde dochtermaatschappijen, aangezien deze door de toepassing van artikel 15 van Pro de Wet geacht worden niet te bestaan.
Dit is niet anders indien bij de heffing van de vennootschapsbelasting van belanghebbende op de Nederlandse Antillen wel met deze vorderingen rekening moet worden gehouden. Indien hierdoor de door belanghebbende ontvangen rente op de Nederlandse Antillen wel belast wordt, maar de door de dochtermaatschappijen betaalde rente in Nederland niet aftrekbaar is, is dat een gevolg van het feit dat Nederland wel, maar de Nederlandse Antillen niet, belanghebbende met de met haar gevoegde dochtermaatschappijen als een eenheid in de heffing van vennootschapsbelasting betrekt. Geen bepaling in de BRK voorkomt een dergelijke distorsie. De middelen falen derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroodeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2002.