ECLI:NL:HR:2002:AE5300
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingheffing bij grensoverschrijdende fiscale eenheid zonder rekening te houden met onderlinge vorderingen
Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap die haar feitelijke leiding naar de Nederlandse Antillen heeft verplaatst, kreeg voor het jaar 1991 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd over een belastbaar bedrag van ƒ 2.848.775. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Het Hof oordeelde dat binnen de fiscale eenheid, ook bij grensoverschrijdende toepassing, onderlinge schulden en vorderingen buiten beschouwing blijven voor de belastingheffing.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte deze onderlinge schulden en vorderingen niet had meegewogen. De Hoge Raad overwoog dat de fiscale eenheid als zodanig meebrengt dat deze vorderingen geacht worden niet te bestaan voor de heffing van vennootschapsbelasting, ook als de moedermaatschappij in de Nederlandse Antillen woont en de dochtermaatschappijen in Nederland gevestigd zijn.
De Hoge Raad benadrukte dat de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) de Nederlandse heffingsbevoegdheid beperkt voor de winst van belanghebbende, maar niet voor de winst van de Nederlandse dochtermaatschappijen. Hierdoor ontstaat een situatie waarin rente-inkomsten in de Nederlandse Antillen belast kunnen worden, terwijl rente-uitgaven in Nederland niet aftrekbaar zijn, hetgeen geen strijd oplevert met de BRK.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het oordeel van het Hof. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat onderlinge schulden en vorderingen binnen de fiscale eenheid niet worden meegenomen bij de vennootschapsbelastingheffing.