ECLI:NL:HR:2002:AE5228

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37360
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechtelijke organisatie
Verwijzingen
2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep ongegrond in zaak over aanslag inkomstenbelasting 1997

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1997 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 51.142. Na bezwaar werd deze aanslag gehandhaafd door de Inspecteur. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de uitspraak van de Inspecteur bevestigde.

Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen de uitspraak van het Hof. Het cassatieberoep werd behandeld, waarbij een na de cassatietermijn ingediend stuk buiten beschouwing werd gelaten omdat de wet dit niet toestaat.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Ook werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en sprak het arrest uit op 12 juli 2002, gewezen door vice-president E. Korthals Altes en raadsheren L. Monné en J.W. van den Berge.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 1997 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Nr. 37.360
12 juli 2002
SE
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 juni 2001, nr. 99/273, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 51.142, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Daarop kan geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt zodanig stuk in te dienen.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechtelijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2002.