ECLI:NL:HR:2002:AE5216
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongelijke fiscale behandeling van gehuwd en ongehuwd samenwonenden inzake lijfrentepremies
Belanghebbende was gehuwd buiten gemeenschap van goederen en had samen met haar echtgenoot elk een lijfrenteovereenkomst afgesloten vóór 15 oktober 1990. Voor het jaar 1995 werd een aanslag opgelegd waarbij de premies werden samengevoegd en beperkt tot het maximum zoals bepaald in artikel 75, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het Hof bevestigde de aanslag en oordeelde dat gehuwd samenwonenden en ongehuwd samenwonenden niet als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt, waardoor de premies niet per persoon maar gezamenlijk worden beperkt. Belanghebbende stelde in cassatie dat deze regeling leidt tot een onrechtvaardige en verboden ongelijke behandeling.
De Hoge Raad overwoog dat de wetgever met ingang van 1 januari 1992 een nieuwe regeling heeft getroffen die de aftrek van lijfrentepremies meer individualiseert en de rechtsongelijkheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden heeft opgeheven. Voor bestaande overeenkomsten geldt een overgangsregeling die het verschil tussen gehuwden en ongehuwden handhaaft, maar dit is niet onredelijk of onrechtmatig.
De Hoge Raad verwierp de middelen en verklaarde het beroep ongegrond. Er was geen sprake van een verboden inmenging in het privé- en gezinsleven. De proceskosten werden niet aan een partij opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de fiscale regeling die onderscheid maakt tussen gehuwd en ongehuwd samenwonenden inzake lijfrentepremies blijft gehandhaafd.