ECLI:NL:HR:2002:AE4075

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/046HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • D.H. Beukenhorst
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in civiele schadevordering

Eiser heeft verweerder gedagvaard en gevorderd tot betaling van een bedrag van ƒ 319.876,-- en schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 december 1996. De rechtbank wees de vordering af. Eiser stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde verweerder tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, met wettelijke rente vanaf 5 december 1996. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen. Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie tegen dit arrest.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die nihil werden begroot aan de zijde van verweerder.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en eiser wordt in de kosten van het cassatiegeding veroordeeld.

Uitspraak

4 oktober 2002
Eerste Kamer
Nr. C02/046HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 30 december 1996 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te voldoen een bedrag van ƒ 319.876,--, zomede [verweerder] te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 5 december 1996 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bij conclusie van repliek heeft [eiser] de grondslag van zijn eis vermeerderd.
[Verweerder] heeft de vorderingen bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 27 augustus 1999 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 2 oktober 2001 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank van 27 augustus 1999 vernietigd en opnieuw rechtdoende [verweerder] veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente over het uiteindelijke schadebedrag vanaf 5 december 1996 tot de dag der algehele voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 19 juni 2002 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 4 oktober 2002.