ECLI:NL:HR:2002:AE2370

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/325HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • D.H. Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in civiele geldvordering tegen Tara Engineering B.V.

Tara Engineering B.V. heeft verweerster gedagvaard en gevorderd om een bedrag van ƒ 932.166,-- te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 oktober 1994. De Rechtbank Utrecht wees de vordering bij vonnis van 13 januari 1999 af. Tara stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam, dat het vonnis van de rechtbank op 10 augustus 2000 bekrachtigde.

Tegen het arrest van het Hof stelde Tara beroep in cassatie in. Verweerster was niet verschenen en verstek werd verleend. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad verwierp het beroep en veroordeelde Tara in de kosten van het cassatiegeding, begroot op nihil aan de zijde van verweerster. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2002.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Tara Engineering B.V. wordt verworpen en de kosten van het cassatiegeding worden aan haar opgelegd.

Uitspraak

12 juli 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/325HR
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
TARA ENGINEERING B.V., gevestigd te Vugt,
EISERES tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. F.M. Wachter, thans mr. R.F. Thunnissen,
t e g e n
[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Tara - heeft bij exploit van 5 juni 1997 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen om aan Tara te betalen een bedrag van ƒ 932.166,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 1994 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerster] heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 13 januari 1999 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft Tara hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 10 augustus 2000 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft Tara beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.
Tara heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Tara in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 juli 2002.