ECLI:NL:HR:2002:AE2108

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00030/01
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • G.J.M. Corstens
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 184 SrArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens opzettelijke belemmering van ambtenaar bij ontruiming

De verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk belemmeren van een ambtenaar die belast was met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door zich op 8 februari 2000 in een kelder van een pand te Bemmel op te sluiten en vast te ketenen aan een betonblok.

Het hof stelde vast dat de verdachte zich bewust had vastgeketend met het doel de ontruiming van het pand te bemoeilijken, ondanks een vordering van de deurwaarder om het pand te verlaten. De verwijdering duurde langer dan enkele minuten, waarmee het belemmeringsopzet werd bevestigd.

De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van belemmering omdat de verdachte zich al had vastgeketend voordat de sommatie tot verwijdering werd gegeven en de verwijdering slechts kort duurde. Dit verweer werd door het hof en de Hoge Raad verworpen.

De Hoge Raad oordeelde dat het bewezenverklaarde feit het misdrijf van artikel 184 Sr Pro oplevert en dat het beroep in cassatie ongegrond is. De veroordeling tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis, blijft in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis wegens opzettelijke belemmering van een ambtenaar.

Uitspraak

25 juni 2002
Strafkamer
nr. 00030/01
Ats/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 21 november 2000, nummer 21/001211-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 17 mei 2000 - de verdachte ter zake van "opzettelijk enige handeling door een ambtenaar, bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, belemmeren" veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet het misdrijf van art. 184 Sr Pro oplevert, omdat de verdachte zich reeds had vastgeketend voordat de sommatie tot verwijdering was gegeven.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
"dat hij op 8 februari 2000 in de gemeente Bemmel, toen G.J.W. Vaarkamp, belast met de uitoefening van enig toezicht en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, doende was verdachte en anderen te verwijderen van het perceel Wolfhoeksestraat (24), deze door die ambtenaar ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, ondernomen handeling opzettelijk heeft belemmerd door zich op te sluiten in een kelder in een pand op genoemd perceel en zich vast te ketenen aan een blok beton en zich niet aanstonds te verwijderen uit die kelder."
3.3. Blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat:
- de verdachte zich in de kelder had opgesloten en zich had vastgeketend aan een betonblok om zijn verwijdering te belemmeren;
- de deurwaarder vervolgens van de bewoners van het pand heeft gevorderd dat zij binnen vijftien minuten het pand verlaten;
- dat de verdachte zich niet heeft verwijderd op genoemde vordering en
- dat na afloop van deze termijn een begin werd gemaakt met de ontruiming.
3.4. Het arrest van het Hof houdt onder meer in:
"Namens verdachte is gesteld dat er geen sprake was van belemmering van de politie in de zin van artikel 184 van Pro het Wetboek van Strafrecht nu verdachte zich reeds had vastgeketend in de kelder van het pand Wolfhoekseweg 24 te Bemmel voordat de deurwaarder het vonnis tot ontruiming van dit perceel ten uitvoer kwam leggen, en de verwijdering van verdachte van het perceel slechts ongeveer 4 minuten heeft geduurd.
Het hof verwerpt dit verweer. Verdachte wist immers dat, indien hij het pand niet vrijwillig zou verlaten, de deurwaarder hem door de politie uit het pand zou laten verwijderen en hij heeft zich welbewust vastgeketend, met het doel de ontruiming van voormeld pand te bemoeilijken. Voorts is de tijd die de verwijdering van verdachte heeft gekost niet zo kort, dat kan worden gesteld dat verdachte niet in zijn opzet om de ontruiming te bemoeilijken is geslaagd."
3.5. De overwegingen van het Hof geven geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting in aanmerking genomen dat de verdachte zich niet heeft verwijderd na de vordering tot verwijdering, maar volhardde in zijn voornemen de ontruiming te bemoeilijken.
3.6. Het middel faalt.
4. Beoordeling van het tweede, derde en vierde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 juni 2002.