ECLI:NL:HR:2002:AE1552
Hoge Raad
- Verzet
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzet tegen vaststelling vast recht in civiele procedure over schadevergoeding
De zaak betreft een verzetprocedure tegen de vaststelling van het vast recht in een cassatieprocedure waarbij opposante was veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 257.835,-- aan betrokkene, vermeerderd met wettelijke rente. De waarnemend griffier had het vast recht definitief vastgesteld op ƒ 6.700,-- op basis van het financiële belang van de zaak.
De advocaat van opposante kwam in verzet tegen deze vaststelling. De Hoge Raad overwoog dat het vast recht in cassatieprocedures moet worden berekend aan de hand van het bedrag van de vordering waarover de rechter in de onderliggende procedure heeft beslist, zonder dat de griffier door de vordering heen mag kijken. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie.
In deze zaak had betrokkene een vordering ingesteld tot betaling van een bedrag ter vergoeding van schade, kosten en interessen, op te maken bij staat. Het hof had deze vordering toegewezen en de omvang van het nadeel aanstonds vastgesteld. De waarnemend griffier had daarom het vast recht terecht vastgesteld op basis van het door het hof toegewezen bedrag.
De Hoge Raad verklaarde het verzet ongegrond en bevestigde dat het vast recht correct was vastgesteld. De beschikking werd gegeven door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Hammerstein op 27 september 2002.
Uitkomst: Het verzet tegen de vaststelling van het vast recht wordt ongegrond verklaard.