ECLI:NL:HR:2002:AE1310

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03881/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 423 SvWet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
Verwijzingen
4 uitgaand · 11 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte niet gegrond

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een vonnis van de rechtbank Breda, waarbij het verstekvonnis van de kantonrechter Tilburg werd vernietigd. De kantonrechter had verstek verleend terwijl verdachte niet aanwezig was, hoewel hij ten tijde van de zitting elders gedetineerd was en niet ondubbelzinnig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

De Hoge Raad overweegt dat het verzuim van de kantonrechter niet leidt tot verwijzing van de zaak naar de eerste rechter, omdat dit niet valt onder de uitzonderingen van artikel 423 lid 1 Wetboek Pro van Strafvordering. De rechtbank heeft het verstekvonnis terecht vernietigd en de zaak inhoudelijk behandeld.

De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep en de Hoge Raad volgt dit advies. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen, waarmee de bestreden uitspraak in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank Breda blijft in stand.

Uitspraak

28 mei 2002
Strafkamer
nr. 03881/00
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van
29 mei 2000, nummer 02/402476-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Tilburg van 29 september 1999 - de verdachte ter zake van feit 2. vrijgesproken en hem voorts ter zake van feit 1. ?als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken- bewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden? veroordeeld tot een geldboete van ƒ 660,-- gulden, subsidiair dertien dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft mr. B.R. Angad Gaur, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld en voorts bij aanvullende schriftuur het middel nader toegelicht. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank, in plaats van de zaak - bij verstek - te behandelen, deze had moeten verwijzen naar het Kantongerecht op de grond dat in eerste aanleg het recht van de verdachte om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn is geschonden.
Daartoe wordt aangevoerd dat de Kantonrechter geen verstek tegen de - in persoon gedagvaarde - verdachte had mogen verlenen omdat hij bekend had moeten zijn met de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting uit anderen hoofde was gedetineerd en de verdachte niet ondubbelzinnig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
3.2. Het middel faalt. De Rechtbank heeft in hoger beroep het vonnis van de Kantonrechter vernietigd. Een verzuim als waarop het middel zich met betrekking tot de behandeling van de zaak door de Kantonrechter beroept, noopt de appelrechter niet tot verwijzing van de zaak naar de rechter in eerste aanleg, omdat het niet behoort tot de gevallen waarvoor de Hoge Raad, indien de hoofdzaak door de eerste rechter is beslist, een uitzondering heeft aangenomen op de hoofdregel van art. 423, eerste lid, Sv (vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1996,557).
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 28 mei 2002.