ECLI:NL:HR:2002:AE1172

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01085/01
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitie (oud)Art. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete en vervangende hechtenis wegens overschrijding redelijke termijn in wapenhandelzaak

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de oude Wet wapens en munitie, met betrekking tot meerdere vuurwapens van categorie III. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand op, een geldboete van duizend gulden en subsidiair twintig dagen hechtenis.

De verdachte stelde beroep in cassatie in, maar stelde geen middelen van cassatie voor. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, en tot vermindering van de opgelegde geldboete en vervangende hechtenis.

De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor strafvermindering noodzakelijk was. De geldboete werd verminderd tot € 400 en de vervangende hechtenis tot negen dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen en de rest van het arrest bleef in stand.

De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 19 november 2002, waarbij de strafoplegging werd aangepast maar de veroordeling zelf gehandhaafd bleef.

Uitkomst: De geldboete werd verminderd tot € 400 en de vervangende hechtenis tot negen dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

19 november 2002
Strafkamer
nr. 01085/01
AG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 21 december 1999, nummer 21/000909-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 2 april 1999 - de verdachte ter zake van "het medeplegen van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III (oud)" en "het medeplegen van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie (oud)" veroordeeld tot één maand gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van éénduizend gulden, subsidiair twintig dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Door of namens deze zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, de straf zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De verdachte heeft op 29 december 1999 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 31 mei 2001 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.
De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 12 februari 2002 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering. De Hoge Raad oordeelt geen andere grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
Vermindert de geldboete in die zin dat deze € 400,-- bedraagt;
Vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze negen dagen beloopt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 19 november 2002.