ECLI:NL:HR:2002:AD9698

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/260HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in civiele vordering tot betaling

Eiser werd door WEA gedagvaard bij de Kantonrechter te Terneuzen met een vordering tot betaling van een geldbedrag vermeerderd met wettelijke rente. De Kantonrechter veroordeelde eiser tot betaling van een iets lager bedrag dan gevorderd, vermeerderd met rente over een deel van dat bedrag, en wees het meerdere af.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen dit vonnis. WEA verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal was eveneens gericht op verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering nodig is omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2002.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

1 maart 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/260HR
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats], België,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. ir. P.J.A. Prinsen,
t e g e n
MAATSCHAP WESTELIJKE ACCOUNTANTSKANTOREN ZEELAND, gevestigd te Oostburg,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.
1. Het geding in feitelijke instantie
Verweerster in cassatie - verder te noemen: WEA - heeft bij exploit van 1 april 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Terneuzen en gevorderd [eiser] te veroordelen om aan WEA te betalen ƒ 2.873,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 23 februari 2000 [eiser] veroordeeld om aan WEA te betalen een bedrag van ƒ 2.729,51, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 2.373,49 vanaf 30 oktober 1998 tot de dag der voldoening en het meer of anders was gevorderd afgewezen.
Het vonnis van de Kantonrechter is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Kantonrechter heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
WEA heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor WEA toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van WEA begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 1 maart 2002.