ECLI:NL:HR:2002:AD9106
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardevermeerdering onroerende zaken bij beëindiging landbouwbedrijf
Belanghebbende, exploitant van een landbouwbedrijf, beëindigde per 30 april 1996 zijn bedrijfsuitoefening en bracht de tot het ondernemingsvermogen behorende onroerende zaken over naar het privévermogen. Het geschil betrof de waardevermeerdering van deze onroerende zaken die niet onder de landbouwvrijstelling zou vallen volgens artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het Hof bepaalde de waarde van de grond bij voortgezette agrarische aanwending op de prijs die bij verkoop op de agrarische markt zou worden behaald, waarbij niet-agrarische gebruiksmogelijkheden buiten beschouwing moesten blijven. Belanghebbende stelde dat de waarde gelijk bleef, terwijl de Inspecteur een lagere agrarische waarde stelde, wat een waardevermeerdering tot gevolg had.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verwierp het verweer dat niet-agrarische gebruiksmogelijkheden in de waardebepaling moesten worden betrokken. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de waardeverandering zich realiseert op het moment van beëindiging van het bedrijf. De waardedruk door voortgezette bewoning werd als een externe factor gezien die niet tot de vrijgestelde waardeveranderingen behoort.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt bevestigd.