ECLI:NL:HR:2002:AD9050

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/094HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • J.B. Fleers
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot cassatie en vaststelling kinderalimentatie na echtscheiding

De vrouw heeft bij de Rechtbank Almelo een verzoek tot echtscheiding en vaststelling van kinderalimentatie ingediend voor haar drie kinderen. De rechtbank wees de echtscheiding toe en bepaalde een maandelijkse bijdrage van ƒ 500 per kind, met indexering vanaf 1 januari 2002. De man ging in hoger beroep tegen de alimentatievaststelling en verzocht om een lagere bijdrage met een eerdere ingangsdatum.

Het Gerechtshof Arnhem vernietigde de beschikking van de rechtbank en stelde de bijdrage vast op ƒ 130 per kind voor de periode tot 1 januari 2001 en ƒ 170 per kind per maand vanaf die datum. De vrouw stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze beschikking.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep van de vrouw. Hiermee bleef de beschikking van het hof in stand, waarmee de alimentatiebedragen en ingangsdata definitief werden vastgesteld.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de lagere alimentatiebijdragen en ingangsdata zoals vastgesteld door het hof.

Uitspraak

8 februari 2002
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/094HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 12 oktober 1999 ter griffie van de Rechtbank te Almelo ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de echtscheiding tussen haar en verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken en - voor zover in cassatie nog van belang en na wijziging van eis - te bepalen dat de man ƒ 500,-- per maand per kind dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen van partijen, [kind 1], geboren te [geboorteplaats] op 19 juli 1995, [kind 2], geboren te [geboorteplaats] op 28 november 1996, en [kind 3], geboren te [geboorteplaats] op 26 mei 1999.
De man heeft onder meer het verzoek tot bepaling van de kinderalimentatie bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 24 mei 2000 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bij beschikking van 29 november 1999 het verzoek tot bepaling van de kinderalimentatie toegewezen. Voorts heeft zij bepaald dat deze bijdrage niet eerder van rechtswege zal worden verhoogd dan met ingang van 1 januari 2002, met het ingaande dat jaar geldende wettelijke indexeringsbijdrage, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen laatstvermelde beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Daarbij heeft hij verzocht voormelde beschikking van de Rechtbank voor zover het de vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde kinderen betreft te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat die bijdrage met ingang van 29 november 2000 op ƒ 300,--, subsidiair ƒ 341,--, voor alle kinderen tezamen per maand wordt vastgesteld, althans een zodanige bijdrage en een zodanige ingangsdatum vast te stellen als het Hof juist acht.
Bij beschikking van 22 mei 2001 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank van 29 november 2000 vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de man over de periode 29 november 2000 tot 1 januari 2001 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van ƒ 130,-- per kind zal betalen en vanaf 1 januari 2001 een bedrag van ƒ 170,-- per kind per maand.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot be-antwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 8 februari 2002.