ECLI:NL:HR:2002:AD8951
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vermindering van ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiezaak
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarin de betrokkene werd veroordeeld tot betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene, woonachtig in Israël, stelde beroep in cassatie in zonder nadere middelen van cassatie.
De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van de bestreden uitspraak met verwijzing naar een ander hof voor verdere behandeling. De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep en de behandeling.
Als gevolg hiervan werd het opgelegde bedrag ter ontneming verminderd tot € 920.000. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak uitsluitend voor zover het bedrag betroffen en verwierp het beroep voor het overige. De oorspronkelijke veroordeling tot betaling van ƒ 2.100.000 werd daarmee aanzienlijk verminderd.
De zaak werd behandeld door de Strafkamer van de Hoge Raad en het arrest werd uitgesproken op 25 juni 2002.
Uitkomst: Het opgelegde bedrag ter ontneming wordt verminderd tot € 920.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.