ECLI:NL:HR:2002:AD7803

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03388/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie tegen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam inzake diefstal door twee of meer verenigde personen

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, dat op 13 maart 2000 uitspraak deed in een strafzaak tegen de verdachte, geboren in 1975 en destijds gedetineerd in een Huis van Bewaring. De verdachte was eerder vrijgesproken van verschillende tenlastegelegde feiten, maar werd wel veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij hij zich toegang tot de plaats van het misdrijf had verschaft door middel van een valse sleutel. De Hoge Raad oordeelt dat het Gerechtshof de verdachte terecht als mededader heeft aangemerkt, op basis van de bewijsmiddelen die onder andere telefonische communicatie tussen de verdachte en mededaders aantonen. De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak enkel voor wat betreft de strafoplegging en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor herbeoordeling van de straf. De Hoge Raad verwerpt het beroep voor het overige, wat betekent dat de bewezenverklaring van de diefstal en de betrokkenheid van de verdachte in stand blijft. De zaak illustreert de toepassing van het strafrecht, met name de beoordeling van medeplichtigheid en de motivering van strafopleggingen door de rechter.

Uitspraak

12 februari 2002
Strafkamer
nr. 03388/00
AS/LD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 maart 2000, nummer 23/002133-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in Huis van Bewaring ""De Compagnie en Zwaag" te Zwaag.
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 20 juli 1999, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 3 primair (na het 1e, 3e en 4e gedachte-streepje), 4 primair, 5 primair en subsidiair en onder 6 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", 3. primair (na het 2e gedachtestreepje) "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", 3 subsidiair " medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd" en "opzetheling" en 4 subsidiair "opzettelijk een vals of vervalst geschrift voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd" veroordeeld tot drie jaren en zes maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.
1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn, aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2.Geding in cassatie
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld door de verdachte.
Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Kengen, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur middelen van
cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat
betreft de strafoplegging en tot verwijzing naar een aangrenzend Hof dat de op te leggen straf opnieuw zal hebben te bepalen.
3.Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 ontoereikend is gemotiveerd, in het bijzonder voorzover deze inhoudt dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen heeft gehandeld.
3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat hij:
"op 9 en/of 10 februari 1998 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een bankgebouw, gelegen aan de Spoorstraat, heeft weggenomen geldbedragen en sieraden en waardepapieren, welke geldbedragen en sieraden en waardepapieren lagen opgeslagen in safeloketten/kluisjes in voornoemd bankgebouw, toebehorende aan de de VSB bank en/of huurders van genoemde safeloketten/kluisjes, waarbij zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een valse sleutel en de weg te nemen geldbedragen en goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;"
3.3. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen - zowel die ten aanzien van feit 1 door het Hof in het bijzonder zijn
gebezigd, als de overige - heeft het Hof onder meer vast
(i) dat de diefstal heeft plaatsgevonden tussen
9 februari 1998 te 17.00 uur en 10 februari 1998 te 08.34 uur en dat de daders zich gedurende die tijd in het bankgebouw hebben laten insluiten;
(ii) dat met een mobiele telefoon die gedurende die tijd als enige telefoon steeds ter plaatse van de bank is
gelokaliseerd - in de bewijsmiddelen de "[a]-gsm" genoemd - 23 keer is uitgebeld, waarvan 16 keer naar een zogenoemde prepaid-gsm die toen bij de verdachte in gebruik was en tweemaal naar de telefoonaansluiting van de vriendin van de verdachte;
(iii) dat in de periode 1 februari tot en met 12 februari 1998 de "[a]-gsm" 68 keer in contact is geweest met de telefoonaansluiting van verdachtes vriendin, 103 keer met de toen bij de verdachte in gebruik zijnde mobiele telefoon en in de maand februari 47 keer met de vaste telefoonaansluiting van de verdachte;
(iv) dat die "[a]-gsm" in genoemde periode op naam stond van [betrokkene 1], maar zeer waarschijnlijk in
gebruik was bij de medeverdachte [medeverdachte 1];
(v) dat in de periode 1 februari 1998 tot en met 12 februari 1998 64 keer telefoonverkeer heeft plaatsgevonden tussen die "[a]-gsm" en het (prepaid)nummer van de medeverdachte [medeverdachte 2];
(vi) dat de " [a]-gsm" kort na de diefstal niet meer is gebruikt;
(vii) dat door een deskundige is bevonden dat "met zekerheid" braaksporen van de opengebroken kluisjes zijn
veroorzaakt door een ten huize van voornoemde [medeverdachte 2] in beslaggenomen schroevendraaier;
(viii) dat de deuren in de bank die toegang gaven tot de kluisruimte geen braaksporen bevatten, maar dat die deuren eenvoudig door middel van "flipperen" waren te openen; dat in de woningen van de verdachte en genoemde [medeverdachte 1] een aantal zogenaamde "flippers" in beslag is genomen;
(ix) dat die [medeverdachte 1] als mededader betrokken is geweest bij de overige ten laste van de verdachte bewezenverklaarde vermogensdelicten, gepleegd in de periode 1 december 1997 tot en met 24 november 1998.
3.4. Op grond van de in de bewijsmotivering vervatte analyse van telefoonverkeer heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte ten tijde van de diefstal veelvuldig met de in de bank aanwezige daders (telefonisch) heeft gecommuniceerd en dat zij onderling ook daaraan voorafgaand en daarna intensieve telefonische contacten met elkaar hebben onderhouden.Gelet daarop en op 's Hofs overige, hiervoor onder 3.3. weergegeven, vaststellingen heeft het Hof kunnen oordelen dat de verdachte ter uitvoering van een gezamenlijk plan om die diefstal te plegen zo nauw en volledig met anderen heeft samengewerkt dat hij als mededader moet worden aangemerkt.
De bewezenverklaring is dus toereikend gemotiveerd.
3.5. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, zevende lid, Sv zonder nadere motivering een zwaardere straf heeft opgelegd dan de Advocaat-Generaal bij het Hof heeft gevorderd.
4.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de daarin vermelde door de Advocaat-Generaal aan het Hof overgelegde "requisitoiraantekeningen", heeft deze voor wat de op te leggen straf betreft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden ter zake van het onder 1, 3 primair (gedeeltelijk), 3 subsidiair (gedeeltelijk) 4 subsidiair (gedeeltelijk), 5 subsidiair en 6 tenlastegelegde.
4.3. Het Hof heeft de verdachte tot die straf veroordeeld ter zake van de hiervoor onder 1, 3 primair (gedeeltelijk), 3 subsidiair (gedeeltelijk) en 4 subsidiair (gedeeltelijk) bewezenverklaarde feiten.
4.4. Het Hof heeft, gelet op het aantal feiten waarvoor het de verdachte heeft veroordeeld, een zwaardere straf opgelegd dan was gevorderd. Ingevolge art. 359, zevende lid, Sv had het Hof derhalve in het bijzonder de redenen moeten opgeven die daartoe hebben geleid. In het bestreden arrest ontbreekt echter een dergelijke opgave. Ingevolge het tiende lid (oud) van art. 359 Sv leidt dit verzuim tot nietigheid.
4.5. Het middel is dus terecht voorgesteld.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn oordeel
onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden
vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn oordeel onderworpen - doch uitsluitend voor wat
betreft de strafoplegging;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te
's-Gravenhage opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 12 februari 2002.