ECLI:NL:HR:2002:AD7377
Hoge Raad
- Cassatie
- G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Toepassing van Nederlands recht bij echtscheiding ondanks gemeenschappelijke Schotse nationaliteit
De zaak betreft een verzoek tot echtscheiding tussen een man met de Britse nationaliteit en een vrouw met de Poolse en Britse nationaliteit, die sinds 1985 in Nederland wonen en sinds 1998 gescheiden leven. De vrouw verzocht de rechtbank om echtscheiding uit te spreken, het ouderlijk gezag toe te wijzen en alimentatie vast te stellen. De man voerde onder meer de exceptie van litispendentie aan omdat hij in Schotland al een echtscheidingsprocedure was gestart.
De rechtbank wees de exceptie van litispendentie af en sprak de echtscheiding uit op basis van Nederlands recht, omdat de vrouw geen werkelijke maatschappelijke band met Schotland had. Het hof bevestigde dit oordeel en wees het incidenteel hoger beroep van de vrouw af wegens termijnoverschrijding. De man stelde beroep in cassatie in tegen het oordeel over het toepasselijke recht en de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
De Hoge Raad oordeelde dat de exceptie van litispendentie niet van openbare orde is en dat art. 12 van Pro het Haagse Echtscheidingserkenningsverdrag niet verplicht tot schorsing van de procedure. Verder bevestigde de Hoge Raad dat het toepasselijke recht het recht van de gewone verblijfplaats is indien een partij geen werkelijke maatschappelijke band heeft met het land van gemeenschappelijke nationaliteit. Het oordeel van het hof hierover was niet onbegrijpelijk en kon in cassatie niet worden getoetst. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de toepassing van Nederlands recht en de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.