ECLI:NL:HR:2002:AD4921

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/099HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • R. Herrmann
  • J.B. Fleers
  • A.G. Pos
  • P.C. Kop
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:120 BWArt. 81 ROArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid eiser in vordering tegen Staat tot teruggave goederen

Eiser heeft de Staat gedagvaard met de vordering om binnen vijf dagen de eigendom van bepaalde goederen terug te geven, dan wel de waarde daarvan uit te keren, vermeerderd met wettelijke rente en onder verbeurte van een dwangsom. De Staat heeft deze vordering bestreden. De Rechtbank verklaarde eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering. Eiser stelde hiertegen hoger beroep in, maar het Gerechtshof te 's-Gravenhage bekrachtigde het vonnis van de Rechtbank.

Eiser bracht vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen, waarbij werd overwogen dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad veroordeelde eiser tevens in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2002.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de niet-ontvankelijkheid van eiser in zijn vordering tegen de Staat.

Uitspraak

18 januari 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/099HR
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats], Ierland,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.L.C.M. Oomen,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Financiën, gevestigd te 'Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: voorheen mr. W. Heemskerk,
thans mr. D. Stoutjesdijk.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 18 november 1994 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de Wet zulks toelaat, de Staat te veroordelen binnen vijf dagen na het ten deze te wijzen vonnis aan [eiser] in eigendom te doen teruggeven de onder punt 1 van de dagvaarding genoemde goederen, althans aan [eiser] uit te keren een bedrag vertegenwoordigende de waarde van de goederen per datum van het te wijzen vonnis, zulks vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:120 BW Pro over dit bedrag per 01-09-1994 tot aan de datum der voldoening, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 10.000,-- voor elke dag dat de Staat in gebreke mocht blijven.
De Staat heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 17 juli 1996 [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij memorie van antwoord heeft de Staat voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld.
Bij arrest van 20 januari 2000 heeft het Hof in het principaal beroep het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de Staat toegelicht door mr. D. Stoutjesdijk, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerp het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de staat begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 18 januari 2002.