ECLI:NL:HR:2001:ZD2845
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid gebruik DNA-onderzoek ondanks niet-medeling aan verdachte
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die in hoger beroep was veroordeeld voor meermalige verkrachting tot een gevangenisstraf van twee jaar. De verdachte stelde dat de resultaten van het DNA-onderzoek onrechtmatig waren verkregen omdat hem de uitslag niet was meegedeeld en hij geen mogelijkheid had gekregen tot een contra-expertise.
Het hof had geoordeeld dat de verdachte tijdens de voorgeleiding aan de rechter-commissaris vrijwillig had ingestemd met celafname voor DNA-onderzoek en dat de uitslag weliswaar niet conform artikel 195a, derde lid, Sv schriftelijk aan de verdachte was medegedeeld, maar wel aan zijn raadsman. De raadsman was op de hoogte van het recht op contra-expertise, maar had daarvan geen gebruik gemaakt.
De Hoge Raad bevestigde dat het verzuim om de verdachte schriftelijk te informeren hersteld kon worden doordat alsnog een contra-expertise had kunnen worden aangevraagd. Dit maakte artikel 359a Sv niet van toepassing. Het oordeel van het hof dat het DNA-onderzoek rechtmatig was verkregen en tot bewijs mocht meewerken, was niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot twee jaar gevangenisstraf bleef in stand.