ECLI:NL:HR:2001:ZD2836

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02251/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SvNAArt. 394 SvNAArt. 3 Vuurwapenverordening 1930
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor doodslag en vuurwapenbezit door Hof Nederlandse Antillen en Aruba

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft verdachte in hoger beroep veroordeeld voor doodslag en meermalen overtreding van het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, en hem daarvoor tien jaren gevangenisstraf opgelegd.

Verdachte stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij onder meer werd betoogd dat de dagvaarding niet voldeed aan de wettelijke eisen en dat de beraadslaging in hoger beroep niet conform artikel 394, tweede lid, SvNA had plaatsgevonden. De Hoge Raad oordeelde dat de dagvaarding voldoende duidelijk was en dat de beraadslaging in hoger beroep wel volgens de wettelijke voorschriften was gevoerd.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het vonnis van het Hof. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het vonnis van tien jaar gevangenisstraf wordt bevestigd.

Uitspraak

3 juli 2001
Strafkamer
nr. 02251/00 A
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 7 december 1999, parketnummer 901/075-98, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren [te geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring op Curaçao.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao van 31 maart 1999 - de verdachte ter zake van 1. "doodslag" en 2. "overtreding van het verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd" veroordeeld tot tien jaren gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1.Het middel bevat de klacht dat art. 394, tweede lid, SvNA is geschonden nu de bestreden uitspraak inhoudt dat deze slechts is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
3.2. Art. 394, tweede lid, SvNA luidt als volgt:
"In het geding in hoger beroep geschiedt de beraadslaging mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals dit volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft plaatsgehad".
3.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de voorzitter aldaar de korte inhoud heeft medegedeeld van onder meer de stukken betreffende het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
3.4. In aanmerking genomen dat zich bij de stukken bevindt het proces-verbaal van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, moet worden aangenomen dat de beraadslaging in hoger beroep heeft plaatsgevonden op de in art. 394, tweede lid, SvNA voorgeschreven wijze.
3.5. Het middel faalt derhalve.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel bevat de klacht dat de dagvaarding wat betreft het onder 2 tenlastegelegde voorhanden hebben van een (hand)vuurwapen, niet voldoet aan de eisen van art. 285 SvNA Pro, nu de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat de medeverdachte in het bezit was van twee vuurwapens.
4.2. Art. 285 SvNA Pro luidt, voorzover hier van belang:
"1. De dagvaarding bevat een zodanige opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn, dat de verdachte daaruit redelijkerwijze kan begrijpen, ter zake waarvan hij wordt verdacht.
2. Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan".
4.3. Het middel faalt, reeds omdat noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch de pleitnota in hoger beroep, die zich bij de stukken bevindt, iets inhoudt waaruit afgeleid zou moeten worden dat door of namens de verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding niet voldoet aan de in art. 285 SvNA Pro gestelde eisen.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 juli 2001.