ECLI:NL:HR:2001:ZD2771

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
01761/99
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 SvArt. 365a Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in ontuchtzaak met therapeutisch verweer

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin verdachte werd veroordeeld wegens ontucht gepleegd met een patiënt die zich aan zijn hulp had toevertrouwd. Verdachte voerde in hoger beroep aan dat zijn handelingen onderdeel waren van een therapeutische behandeling, waardoor ontuchtige intenties ontbraken.

Het hof verwierp dit verweer, stellende dat therapeutische behandeling niet uitsluit dat handelingen ontuchtige intenties kunnen bevatten. Het hof baseerde zich op verklaringen, waaronder die van verdachte zelf, en concludeerde dat verdachte onvoldoende had geverifieerd of het slachtoffer op de hoogte was van zijn bedoelingen en dat de handelingen ontuchtig van aard waren.

De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep en oordeelde dat het hof het verweer terecht als een beroep op een rechtvaardigingsgrond had opgevat en dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd met bewijs, waaronder de verklaring van verdachte. De overige middelen faalden eveneens. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete blijft in stand.

Uitspraak

12 juni 2001
Strafkamer
nr. 01761/99
IV/IK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 18 februari 2000, nummer 21/001437-98, in de strafzaak tegen:
[verdachte] geboren te [geboorteplaats]
(Suriname) op [geboortedatum] 1930, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 25 mei 1998 - de verdachte ter zake van "ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een geldboete van vierduizend gulden, subsidiair vijfenveertig dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.H.M. Boekhorst, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer ten onrechte heeft opgevat als een beroep op een rechtvaardigingsgrond in plaats van als een bewijsverweer, terwijl de gebezigde bewijsmiddelen niets inhouden omtrent de door het Hof ter weerlegging van het verweer gebezigde feiten en omstandigheden.
3.2. Ten laste van de verdachte is, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, bewezenverklaard dat hij:
"ontucht heeft gepleegd met (...), immers heeft hij telkens opzettelijk ontuchtig de borsten en
tepels van die (...) betast en beetgepakt".
3.3. Een namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer is in het verkorte arrest onder het hoofd "Strafbaarheid van het bewezenverklaarde" als volgt samengevat en verworpen:
"Ter terechtzitting is het verweer gevoerd dat verdachte heeft gehandeld in het kader van een
therapeutische behandeling, hetgeen zou betekenen dat noch aan verdachte noch aan de hem tenlastegelegde handelingen ontuchtige intenties kunnen worden toegedicht. De verdachte zou rechtens juist hebben gehandeld.
Het hof verwerpt dit impliciet geformuleerde
beroep op een rechtvaardigingsgrond. Het hof merkt in de eerste plaats op dat de steller van het verweer miskent dat een therapeutische behandeling niet uitsluit dat in het kader van die behandeling plaatsvindende handelingen ontuchtige intenties kunnen aankleven.
Over het al dan niet ontuchtige karakter van de kwestieuze handelingen merkt het hof het volgende op.
Uit de stukken alsmede uit het onderzoek ter terechtzitting komt naar voren dat het slachtoffer kampte met een niet - optimaal - verwerkt incestverleden en dat dit gegeven de verdachte bekend was. Daarbij is genoegzaam komen vast te staan - onder meer uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep - dat de verdachte onvoldoende heeft geverifieerd of het slachtoffer op de hoogte was van zijn voornemen haar te betasten bij de blote borsten. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting niet betwist dat hij zijn al dan niet vermeend haptonomische aanrakingen in beginsel eveneens had kunnen aanvangen zonder verwijdering van de bustehouder. Tenslotte blijkt uit de verklaring van de aangeefster dat verdachte tijdens de bedoelde haptonomische sessie en tijdens de aanrakingen van haar borsten aan de aangeefster heeft gevraagd of zij het lekker vond. Deze vraag kan niet worden uitgelegd vanuit het doel dat door de verdachte aan de door hem toegepaste ademhalingsoefening was toegedicht.
Op grond van deze in onderlinge samenhang beschouwde factoren meent het hof dat de tenlastegelegde handelingen ontuchtig getint en niet therapeutisch van aard zijn".
3.4. Zoals in de toelichting op het middel met juistheid wordt opgemerkt, blijkt uit deze overwegingen dat het Hof ter weerlegging van het gevoerde verweer gebruik heeft gemaakt van onder meer de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. De klaarblijkelijk aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat het Hof die verklaring als afzonderlijk bewijsmiddel had moeten opnemen in de aanvulling op het verkorte arrest, vindt echter geen steun in het recht (vgl. o.m. HR 9 januari 2001, ELRO AA9480).
3.5. Gelet op het vorenstaande kan in het midden blijven of het Hof het gevoerde verweer terecht heeft opgevat als een beroep op een rechtvaardigingsgrond.
3.6. Het middel faalt.
4. Beoordeling van het tweede, het derde en het vierde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 juni 2001.