ECLI:NL:HR:2001:ZC8118
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verzoekt HvJ EU om prejudiciële beslissing over herziening BTW-aftrek bij wetswijziging verhuur onroerend goed
Belanghebbende, een gemeente, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 1997-1998 vanwege herziening van eerder in aftrek gebrachte BTW op de aanleg van een kunstgrasveld dat werd verhuurd aan een hockeyclub. De Inspecteur stelde dat de verhuur vanaf 1996 vrijgesteld was van BTW, waardoor de aftrek moest worden herzien.
Het Hof oordeelde dat de aanleg van het kunstgrasveld een vervaardiging van een nieuw goed was en dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Belanghebbende stelde in cassatie dat de wetswijziging die de vrijstelling invoerde, niet mocht leiden tot herziening van de aftrek omdat het gebruik van het goed niet was gewijzigd en er geen sprake was van fraude.
De Hoge Raad constateerde dat de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de vraag of en hoe de herziening moet plaatsvinden bij wetswijziging zonder wijziging van het gebruik. Daarom verzoekt de Hoge Raad het Hof van Justitie om prejudiciële uitleg over de toepassing van artikelen 17 en 20 van de Zesde richtlijn en de beginselen van vertrouwen en rechtszekerheid.
Totdat het Hof van Justitie uitspraak doet, schorst de Hoge Raad de procedure en houdt verdere beslissing aan. De zaak betreft belangrijke vragen over de verhouding tussen nationale wetswijzigingen en Europees recht inzake BTW-aftrek en herziening.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de zaak en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over de herziening van BTW-aftrek bij wetswijziging.