ECLI:NL:HR:2001:AD9242
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- G.G. van Erp
- Taalman Kip-Nieuwenkamp
- F.H. Koster
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over kostenveroordeling bij bestuursrechtelijke verkeerszaak
In deze zaak stond de vraag centraal of tegen een beslissing van de kantonrechter in een bestuursrechtelijke verkeerszaak, gegeven na de inwerkingtreding van een wetswijziging, nog beroep in cassatie openstaat. De Hoge Raad oordeelde dat voor beslissingen die na 1 januari 2000 zijn gegeven, geen cassatieberoep meer mogelijk is, maar dat het oude recht geldt indien het cassatieberoep alleen betrekking had op een deelbeslissing die vóór die datum is gegeven.
De kantonrechter had het verzoek van betrokkene tot kostenveroordeling afgewezen, omdat de gemachtigde geen beroepsmatig rechtsbijstand verleende en omdat betrokkene in het ongelijk werd gesteld. De Hoge Raad stelde dat de kosten van een gemachtigde, ook als deze geen beroepsmatig rechtsbijstand verleent, in aanmerking kunnen komen voor vergoeding als ware de gemachtigde partij. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de kantonrechter ten onrechte had geoordeeld dat bij gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep geen kostenveroordeling mogelijk is.
De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beslissing en veroordeelde de officier van justitie tot vergoeding van de redelijke kosten van betrokkene en diens gemachtigde, waarbij de kosten werden begroot op ƒ 118,50 voor betrokkene en ƒ 123,-- voor de gemachtigde. Hiermee werd een belangrijke verduidelijking gegeven over de toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht in bestuursrechtelijke verkeerszaken.
Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt de officier van justitie tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene en diens gemachtigde.