ECLI:NL:HR:2001:AD7756

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1334
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • D.H. Beukenhorst
  • L. Monné
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen vervroegde onteigening door gemeente Rotterdam

De gemeente Rotterdam heeft een BV gedagvaard om vervroegde onteigening van drie percelen grond in Rotterdam uit te spreken ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling en volkshuisvesting. De rechtbank heeft op 12 april 2001 de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken en een voorschot op schadeloosstelling vastgesteld.

De BV heeft tegen dit vonnis cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna de Advocaat-Generaal op 28 september 2001 ook tot verwerping van het beroep heeft geconcludeerd.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en wijst het beroep af zonder nadere motivering, conform artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De BV wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Nr. 1334
21 december 2001
FA
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] te [vestigingsplaats] [...],
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. van den Berg,
tegen
de gemeente Rotterdam,
zetelende te Rotterdam,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. J.G. de Vries Robbé.
1. Geding in feitelijke instantie
1.1. De gemeente Rotterdam (hierna: de Gemeente) heeft bij exploit van 16 november 2000 eiseres tot cassatie doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam en ten behoeve van de ruimtelijke ontwikkeling en van de volkshuisvesting gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten behoeve van de Gemeente van het perceel kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie [...], nr. [...], ter grootte van 1 a en 40 ca, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te Rotterdam, van het perceel kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie [...], nr. [...], ter grootte van 1 a en 33 ca, plaatselijk bekend als [a-straat 2] te Rotterdam, en van het perceel kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie [...], nr. [...], ter grootte van 1 a en 64 ca, plaatselijk bekend als [a-straat 3] te Rotterdam, waarvan eiseres tot cassatie als eigenaar is aangewezen, en bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling.
1.2. Bij vonnis van 12 april 2001 heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken en het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiseres] bepaald op ƒ 1.017.220. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
2.1. [eiseres] heeft het vonnis van 12 april 2001 met een middel van cassatie bestreden. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. [eiseres] heeft gerepliceerd en de Gemeente heeft gedupliceerd.
2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 28 september 2001 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt eiseres tot cassatie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en op ƒ 3000 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst en L. Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2001.