ECLI:NL:HR:2001:AD7583
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- L. Monné
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Toepassing regeling meewerkbeloning in inkomstenbelasting bij niet-zelfstandige aangifte echtgenote
Belanghebbende, een predikant, en zijn echtgenote hadden voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting ontvangen. Na bezwaar werd de aanslag verminderd, maar het Hof bevestigde de uitspraak van de inspecteur dat de regeling van artikel 5, lid 7, Wet op de Inkomstenbelasting 1964 niet toegepast kon worden.
De Hoge Raad oordeelde dat de regeling niet van toepassing is omdat de echtgenote niet zelf aangifte had gedaan van de meewerkbeloning, een vereiste om de regeling toe te passen. Dit gold ook ondanks dat later alsnog een verzoek werd gedaan en het bedrag van de meewerkbeloning werd verhoogd.
De Hoge Raad verwierp de klachten van belanghebbende dat fouten van zijn adviseur tot een lagere aangifte hadden geleid. Het wettelijke vereiste dat de meewerkende echtgenoot zelf aangifte doet, kan niet terzijde worden gesteld. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de regeling voor meewerkbeloning niet kan worden toegepast zonder zelfstandige aangifte van de echtgenoot.