ECLI:NL:HR:2001:AD6519

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
3964 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • G.G. van Erp Taalman Kip
  • F.H. Koster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 575 SvArt. 24b SrArt. 24b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet-naleving consignatieplicht

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van de Kantonrechter te Delft. De veroordeelde, woonachtig in Nederland en geboren in Marokko, werd door de Hoge Raad in de gelegenheid gesteld om te voldoen aan de consignatieplicht zoals gesteld in artikel 575, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dit hield in dat hij het nog verschuldigde bedrag van 822 gulden en de kosten moest voldoen om ontvankelijk te zijn in het beroep.

Ondanks deze mogelijkheid en een termijn tot 10 januari 2001, heeft de veroordeelde niet aan deze verplichting voldaan. Hij gaf aan dat zijn financiële situatie dit onmogelijk maakte, maar de wet voorziet niet in vrijstelling van deze consignatieplicht in deze procedure. Hierdoor werd zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad heeft deze beslissing genomen tijdens een openbare terechtzitting op 25 september 2001, waarbij de vice-president en twee raadsheren aanwezig waren. De uitspraak bevestigt het belang van het naleven van procedurele vereisten voor ontvankelijkheid in cassatieprocedures.

Uitkomst: De veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet voldoen aan de consignatieplicht.

Uitspraak

25 september 2001
Strafkamer
nr. 3964 B
EDK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen de beschikking van de Kantonrechter te Delft van 25 november 1998 betreffende:
[veroordeelde] geboren te [geboorteplaats] (Marokko)in 1967, wonende te [woonplaats].
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Bij tussenbeschikking van 10 oktober 2000, die aan deze beschikking is gehecht en daarvan deel uitmaakt, heeft de Hoge Raad de veroordeelde alsnog in de gelegenheid gesteld te voldoen aan het in art. 575, derde lid, Sv voor de
ontvankelijkheid van het beroep gestelde eis van consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten, te weten een bedrag van f. 822,-.
Bij brief van 13 december 2000 heeft de Griffier van het Kantongerecht de betrokkene in de gelegenheid gesteld dat bedrag uiterlijk op 10 januari 2001 te voldoen.
Uit een brief van de Griffier van het Kantongerecht van 19 januari 2001 aan de Griffier van de Hoge Raad blijkt dat binnen de gestelde termijn geen betaling van de veroordeelde is ontvangen. De betrokkene heeft in zijn aan de Hoge Raad gerichte brief van 18 december 2000 gesteld dat hij op grond van zijn financiële situatie niet in staat is aan de verplichting tot consignatie te voldoen. De wet voorziet echter in procedures als de onderhavige niet in de mogelijkheid geheel of gedeeltelijk vrijstelling van die verplichting te verlenen. De veroordeelde moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het beroep.
2. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.G. van Erp Taalman Kip en F.H. Koster, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2001.