ECLI:NL:HR:2001:AD5786
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dienstbetrekking ondanks betwisting zelfstandigheid belanghebbende
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de inhouding van loonbelasting en premie volksverzekeringen over november 1999, maar dit werd door de Inspecteur en het Hof afgewezen. Het Hof oordeelde dat belanghebbende, werkzaam via een vennootschap onder firma, in een dienstbetrekking stond tot de C-bank, mede vanwege de gezagsverhouding en de verplichting tot het verrichten van werkzaamheden gedurende een bepaalde periode.
Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat het Hof ten onrechte de aanwijzingsbevoegdheid van de opdrachtgever als bewijs voor een dienstbetrekking zag en onvoldoende aandacht had besteed aan de zelfstandigheid en ondernemerschap. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat het oordeel van het Hof over de gezagsverhouding en de arbeidsovereenkomst niet onjuist of onvoldoende gemotiveerd was.
De Hoge Raad benadrukte dat voor de loonbelasting alleen van belang is of sprake is van een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, en niet of belanghebbende als ondernemer wordt aangemerkt voor de inkomstenbelasting. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel dat belanghebbende in dienstbetrekking stond wordt bevestigd.