ECLI:NL:HR:2001:AD5376

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03445/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 452 Sv (oud)Art. 101a ROArt. 365a, tweede lid, Sv
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijsvoering en verwerpt cassatie in diefstalzaak met valse sleutel

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij geld werd weggenomen uit een geldautomaat met behulp van een valse sleutel, vervaardigd met een gestolen bankpasje. De geldopnames waren door de bank op video vastgelegd, maar deze videobanden waren tijdens het hoger beroep niet meer beschikbaar.

De getuigenverklaringen, gebaseerd op een spiegelconfrontatie met verdachte en hun eerdere waarnemingen van de videobanden, vormden het belangrijkste bewijs. Het hof verwierp het verweer van de verdediging dat het ontbreken van de videobanden ook de getuigenverklaringen onbruikbaar zou maken.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat het ontbreken van de videobanden niet betekent dat de getuigenverklaringen niet tot bewijs kunnen dienen. Het cassatieberoep werd verworpen omdat de middelen niet tot cassatie konden leiden en er geen reden was voor ambtshalve vernietiging van het arrest. De strafoplegging en bewijsvoering werden daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd met een voorwaardelijke gevangenisstraf en onbetaalde arbeid.

Uitspraak

18 december 2001
Strafkamer
nr. 03445/00
AS/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 mei 2000, nummer 20/002479-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de kwalificatie, de bewijsvoering en de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 augustus 1999, waarbij de verdachte tot straffen is veroordeeld. Het Hof heeft de verdachte ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd" veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van zestig uren in plaats van één maand gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.
1.2. Het verkorte arrest alsmede de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.A.J. van Rijthoven, advocaat te Bladel, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij heeft "ARAG Rechtsbijstand" een door mr. P.R.Th. Schulting ondertekend geschrift ingediend. Daarop kan de Hoge Raad geen acht slaan nu niet blijkt dat het geschrift overeenkomstig het bepaalde in art. 452, eerste lid (oud), Sv, is ingediend door een advocaat, dan wel door een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. De middelen richten zich tegen de motivering van de bewezenverklaring.
3.2. Het gaat in deze zaak, voorzover voor de bespreking van de middelen van belang, om het volgende. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard - kort gezegd - dat hij tezamen met een ander geld heeft weggenomen uit een geldautomaat van een bank, waarbij hij dat geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel. Het gebruik van die sleutel betrof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen het gebruik van een gestolen bankpasje.
De desbetreffende geldopnames zijn door de bank op video vastgelegd. De videobanden zijn getoond aan twee getuigen, die enige tijd later door middel van een spiegelconfrontatie met de verdachte zijn geconfronteerd en vervolgens hebben verklaard hem voor 80 à 90 procent, onderscheidenlijk van 90 à 95 procent te herkennen als dezelfde man die zij op de videobanden hebben gezien. Het proces-verbaal van politie waarin die verklaringen zijn vervat is door het Hof tot het bewijs gebezigd.
3.3. Het Hof heeft in het bestreden arrest onder het hoofd "de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" een in hoger beroep namens de verdachte gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd - kort samengevat - dat nu de videobanden waarop de geldopname met behulp van het gestolen bankpasje van [slachtoffer] was vastgelegd, niet meer beschikbaar zijn, deze niet tot bewijs kunnen dienen en dientengevolge de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] evenmin tot bewijs kunnen dienen.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Ter terechtzitting is komen vast te staan dat voormelde videobanden niet meer beschikbaar zijn. De stelling van de raadsman dat dit met zich brengt dat dientengevolge ook de getuigenverklaringen, inhoudende onder meer hetgeen zijn op die beelden hebben waargenomen, niet tot bewijs kunnen dienen, vindt geen steun in het recht."
3.4. Het oordeel van het Hof dat de enkele omstandigheid dat de van de geldopname vervaardigde videobanden niet meer beschikbaar zijn, niet meebrengt dat de in het middel bedoelde verklaringen niet tot het bewijs zouden mogen worden gebezigd is juist. De tegen dat oordeel gerichte klacht faalt dus.
Ook de overige in de middelen vervatte klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
3.5. De middelen zijn dus tevergeefs voorgesteld.
4. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 18 december 2001.