ECLI:NL:HR:2001:AD5353

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/104HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 399 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 407 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in civiele vordering inzake leveringsvoorwaarden en incassokosten

Eiseres heeft verweerster gedagvaard voor betaling van een hoofdsom en incassokosten op grond van leveringsvoorwaarden. Na een tussenvonnis dat eiseres toestond bewijs te leveren, heeft het hof dit tussenvonnis bekrachtigd. Eiseres stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad beoordeelde de aangevoerde klachten en concludeerde dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten.

Het cassatieberoep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van lagere instanties zonder inhoudelijke heroverweging van de vordering of bewijslevering.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiseres in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

16 november 2001
Eerste Kamer
Nr. C00/104HR
MP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres], h.o.d.n. [...], gevestigd te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. H.M.L. Brands,
thans mr. P.C.M. van Schijndel,
t e g e n
[Verweerster], gevestigd te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 8 oktober 1993 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd - voorzover in cassatie van belang - [eiseres] te aan [verweerster] te betalen, de somma van ƒ 152.378,42, zijnde de hoofdsom, te vermeerderen met de incassokosten, ingevolge de leveringsvoorwaarden van [verweerster], te stellen op 15% van ƒ 152.378,42, zijnde ƒ 22.856,76 (en niet zoals in de inleidende dagvaarding vermeld ƒ 232.856,76), te vermeerderen met de daarover verschuldigde omzetbelasting, zijnde ƒ 3.999,93, totaal derhalve ƒ 179.235,11, te vermeerderen met de wettelijke rente eveneens ingevolge de leveringsvoorwaarden van [verweerster], te berekenen vanaf 13 maart 1993, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met een bedrag ad ƒ 8,90 voor iedere werkdag waarop [eiseres] de containers van [verweerster] in gebruik heeft, danwel in gebruik laat, tot aan de dag waarop bedoelde containers leeg aan [verweerster] ter beschikking zijn gesteld.
Na een vrijwaringsincident dat in cassatie niet meer van belang is, heeft [eiseres] bij conclusie van antwoord de vordering bestreden en tevens een voorwaardelijke eis in reconventie ingediend die in cassatie niet van belang is.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 14 februari 1996 [eiseres] toegelaten tot het leveren van het in rechtsoverweging 3.4 bedoelde bewijs en iedere beslissing aangehouden.
Tegen dit tussenvonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 21 december 1999 heeft het Hof het bestreden tussenvonnis bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 101a RO.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ 4.117,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 16 november 2001.