ECLI:NL:HR:2001:AD5183

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02325/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • G.J.M. Corstens
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 365a SvArt. 434 SvArt. 437 SvArt. 95 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep tegen vrijspraak en veroordeling in strafzaak

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarbij het hof de verdachte vrijsprak van een tenlastelegging en veroordeelde voor deelname aan een criminele organisatie tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het cassatiemiddel richtte zich onder meer tegen het ontbreken van even genummerde pagina's in de aanvulling op de bestreden uitspraak, wat volgens de raadsman de verdediging in cassatie zou belemmeren en daarmee het recht op een eerlijk proces (fair trial) zou schenden. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze klacht niet als middel van cassatie kon worden aangemerkt en dat het verzuim van de strafadministratie om de volledige aanvulling toe te zenden onder omstandigheden door de rolrechter kan worden hersteld, mits tijdig gemeld.

Omdat de raadsman dit verzuim niet tijdig had gemeld en het middel geen feitelijke grondslag had, kon het cassatieberoep niet slagen. De Hoge Raad vond ook geen reden om ambtshalve te vernietigen en wees het beroep af.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de strafkamer op 4 december 2001.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

4 december 2001
Strafkamer
nr. 02325/00
LR/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 januari 2000, nummer 22/000022-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 24 augustus 1998 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst allereerst de klacht dat de bestreden uitspraak niet de volledige inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen bevat, nu in de aanvulling op de bestreden uitspraak als bedoeld in art. 365a Sv de even genummerde pagina's ontbreken.
3.2. De op de voet van art. 434, eerste lid, Sv door de Griffier van het Hof aan de Hoge Raad gezonden aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv lijdt niet aan het in het middel gesignaleerde euvel. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
3.3. Voorts behelst het middel de klacht dat bedoelde even pagina's niet aan de raadsman zijn toegezonden tengevolge waarvan een adequate verdediging in cassatie onmogelijk is, zodat geen sprake is van een "fair trial" als bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
3.4. Die klacht keert zich niet tegen een handeling of beslissing van een rechter als bedoeld in art. 95, eerste lid, RO noch kan zij daarmee op één lijn worden gesteld. De klacht kan dus niet worden aangemerkt als een middel van cassatie in de zin van art. 437, tweede lid, Sv.
3.5. Daarbij dient het volgende te worden aangetekend. Het verzuim van de strafadministratie van de Hoge Raad om aan de raadsman een volledig afschrift van de aanvulling op de bestreden uitspraak als bedoeld in art. 365a Sv toe te zenden zal, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dat eisen, onder omstandigheden kunnen meebrengen dat de raadsman op diens verzoek door de rolrechter, ondanks het verstrijken van de in art. 437, tweede lid, Sv vermelde termijn, alsnog een termijn wordt gegund om zonodig een aanvullend middel in te dienen. De toewijzing van een dergelijk verzoek zal afhangen van het tijdstip waarop het verzoek vóór het verstrijken van de in art. 437, tweede lid, Sv vermelde termijn redelijkerwijs kon worden gedaan, omdat van de verdediging mag worden verlangd dat zij tijdig een verzuim als hier bedoeld ontdekt.
3.6. In het onderhavige geval heeft de raadsman de strafadministratie van de Hoge Raad onkundig gelaten van het hiervoor onder 3.3 vermelde verzuim.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 4 december 2001.