ECLI:NL:HR:2001:AD4463
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.P. Balkema
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen hoorplicht bij overdracht strafvervolging zonder verdrag
In deze zaak stond centraal of de verdachte gehoord had moeten worden bij de overdracht van strafvervolging van België naar Nederland. De verdediging voerde aan dat de overdracht volgens de regels van het Wetboek van Strafvordering had moeten plaatsvinden en dat de verdachte daarbij gehoord had moeten worden.
Het Hof had geoordeeld dat Nederland op grond van art. 5 Sr Pro originaire jurisdictie had en dat de overdracht niet op een verdrag was gebaseerd, waardoor de hoorplicht uit art. 552aa Sv niet van toepassing was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de hoorplicht slechts geldt indien de bevoegdheid tot strafvervolging voortvloeit uit een verdrag, niet bij originaire jurisdictie.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat de wetgever met art. 552aa Sv uitvoering gaf aan het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging, zonder daarmee het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten te schenden. Daarmee bleef de bestreden uitspraak in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot acht jaren gevangenisstraf.