ECLI:NL:HR:2001:AD4371
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.P. Balkema
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep inzake bevoegdheid opsporingsambtenaren bij accijnsdelicten
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin verdachte werd veroordeeld voor opzettelijke overtreding van de Wet op de accijns, belemmering van een opsporingsambtenaar en diefstal. Het hof had het vonnis van de politierechter vernietigd en veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete.
Het cassatiemiddel betrof onder meer de klacht dat het hof ten onrechte geen beslissing had gegeven op het verweer dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat de verbalisanten niet bevoegd zouden zijn geweest tot de vorderingen volgens artikel 83 van Pro de Wet op de accijns. De Hoge Raad oordeelde dat het verweer onvoldoende concreet was geformuleerd en dat het hof niet verplicht was hierop uitdrukkelijk te beslissen.
Voorts oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht had aangenomen dat de ambtenaren bevoegd waren tot staandehouding en monstername, mede gelet op stukken zoals een brief van de Belastingdienst. Andere middelen faalden eveneens. De Hoge Raad zag geen reden tot vernietiging ambtshalve en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd met een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete.