ECLI:NL:HR:2001:AD4366

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02777/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • G.J.M. Corstens
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 107 Wegenverkeerswet 1994Art. 101a RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping cassatieberoep wegens overschrijding redelijke termijn zonder strafvermindering

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een vonnis van de politierechter te Alkmaar, waarbij hij werd veroordeeld voor overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De politierechter legde een geldboete van vierhonderd gulden op, subsidiair acht dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad constateerde dat de stukken pas meer dan acht maanden na het arrest van het hof bij de Hoge Raad waren ingediend, waardoor de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden.

Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat het belang van de gemeenschap bij normhandhaving zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij verval van het recht tot strafvervolging. Gezien de aard van de opgelegde voorwaardelijke straf en de mate van overschrijding, zag de Hoge Raad geen aanleiding om rechtsgevolgen aan de termijnoverschrijding te verbinden.

Daarnaast verwierp de Hoge Raad een klacht over de berekening van de totale duur van de behandeling, waarbij werd geoordeeld dat vertragingen die niet aan de verdachte zijn toe te rekenen niet in aanmerking worden genomen. Het beroep werd uiteindelijk verworpen, en de bestreden uitspraak bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van de politierechter blijft in stand zonder strafvermindering ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

30 oktober 2001
Strafkamer
nr. 02777/00
ACH/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 22 december 1997, nummer 14/015385-96, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Politierechter heeft de verdachte - voorzover in cassatie van belang - ter zake van "overtreden van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van vierhonderd gulden, subsidiair acht dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3 .Beoordeling van het middel
3.1.1. Het middel behelst in de eerste plaats de klacht dat de behandeling van de zaak in casssatie niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
3.1.2. De raadsman van de verdachte heeft op 30 december 1997 "beroep" ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van twee misdrijven en een overtreding. Bij zijn arrest van 14 september 1999 heeft het Hof -zakelijk weergegeven- verstaan dat de verdachte ten aanzien van het hierboven genoemde vonnis voorzover het betreft het onder 3 ten laste gelegde feit beroep in cassatie heeft ingesteld en bepaald dat de stukken in handen van de griffier van de Hoge Raad zullen worden gesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 28 juli 2000 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, dus meer dan 8 maanden na de uitspraak van het Hof.
3.1.3. Dat brengt mee dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Het middel is dus in zoverre terecht voorgesteld. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van deze termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, moet eerstgenoemd belang prevaleren en strafvermindering worden toegepast.
3.1.4. Gelet evenwel op de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf als hiervoor onder 1 vermeld en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
3.2.1. Het middel behelst in de tweede plaats de klacht dat de totale duur van de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
3.2.2. Blijkens de toelichting berust de klacht kennelijk op de opvatting dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, in een geval als het onderhavige het tijdsverloop tussen het instellen door de verdachte van een rechtsmiddel dat tegen de bestreden uitspraak niet openstaat en het wijzen van de daardoor uitgelokte conversiebeslissing behoort te worden meegerekend als niet aan de verdachte zelf toe te rekenen vertraging. Die opvatting is onjuist. Voorzover het middel op die opvatting berust is het daarom tevergeefs voorgesteld (vgl. HR 20 maart 2001, ELRO ZD 2353).
3.2.3. De overige in het middel vervatte klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier M.I. Veldt-Foglia, en uitgesproken op 30 oktober 2001.