ECLI:NL:HR:2001:AD3990

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C99/365HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • R. Herrmann
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • A. Hammerstein
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a ROArt. 6:119 BWArt. 6:120 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging recht op koop en levering van goederen volgens notariële akte

De man heeft de vrouw gedagvaard om te verklaren dat hij gedurende zes maanden het recht heeft om krachtens koop in eigendom te verkrijgen alle zaken zoals omschreven in een notariële akte, en om de vrouw te veroordelen tot afgifte van deze zaken, betaling van een boete, verantwoording van beheer over AOW-gelden en vergoeding van erfpachtcanon.

De vrouw heeft deze vorderingen bestreden en een tegenvordering ingesteld. De rechtbank wees de vorderingen van de man en de tegenvordering van de vrouw af. Het hof vernietigde dit vonnis en wees de verklaring voor recht toe, veroordeelde de vrouw tot afgifte van de zaken tegen betaling van de koopprijs, en wees de overige vorderingen af.

De man stelde beroep in cassatie tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad verwierp het beroep zonder nadere motivering omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad bepaalde dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

16 november 2001
Eerste Kamer
Nr. C99/365HR
MP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De man], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. B.F.F. Gosschalk-Davidson,
t e g e n
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploit van 17 oktober 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de Rechtbank te Roermond en gevorderd:
1. te verklaren voor recht dat hij gedurende een periode van 6 maanden te rekenen vanaf 26 mei 1995 het recht heeft krachtens koop in eigendom te verkrijgen alle zaken, vermeld en omschreven sub I onder C van de akte van 21 mei 1993 als ook in de considerans van de op 11 juni 1993 ondertekende onderhandse akte van aanvulling op die notariële akte, een en ander onder de voorwaarden en de bedingen als in die akte omschreven, en dat de vrouw verplicht is bij gebruikmaking van dit recht door de man gedurende voormelde periode binnen 14 dagen na de kennisgeving daarvan aan de man te leveren en af te leveren;
2. de vrouw te veroordelen tot afgifte aan de man van de in de notariële akte d.d. 21 mei 1993 onder I sub C omschreven zaken binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis;
3. de vrouw te veroordelen tot betaling van de boete gemaximeerd tot ƒ 200.000,--;
4. de vrouw te veroordelen om binnen een bij de uitspraak te bepalen termijn ten overstaan van een te benoemen rechter-commissaris rekening en verantwoording af te leggen van het door haar gevoerde beheer over de aan de man toekomende doch aan haar beheer toevertrouwde AOW-gelden van 1 januari 1986 tot 31 mei 1995, met bepaling dat ingeval de vrouw daarmee in gebreke mocht blijven zij daartoe zal kunnen worden genoodzaakt door de inbeslagneming en verkoop harer zaken tot een bedrag van ƒ 200.000,-- en door middel van lijfsdwang;
voorts dat het bedrag der ontvangsten en uitgaven zal worden vastgesteld, het saldo zal worden bepaald en de vrouw zal worden veroordeeld tot betaling aan de man van zodanige som met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119-120 BW vanaf de dag dat de vrouw in verzuim is gekomen tot aan die der voldoening;
5. de vrouw te veroordelen tot betaling van ƒ 2.850,-- aan de man terzake door de man betaalde erfpachtcanon.
De vrouw heeft de vorderingen bestreden en harerzijds in reconventie gevorderd - voor zover in cassatie nog van belang - de man te veroordelen tot betaling van ƒ 111.375,--.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 27 maart 1997 in conventie het gevorderde afgewezen en de hierboven genoemde vordering in reconventie afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 8 juni 1999 heeft het Hof, in het principaal en het incidenteel appel, het beroepen vonnis vernietigd, zowel in conventie als in reconventie, en opnieuw rechtdoende:
in conventie:
- de gevorderde verklaring voor recht toegewezen;
- de vrouw veroordeeld tot afgifte - tegenover betaling door de man van de daarvoor verschuldigde koopprijs van ƒ 25.000,-- voor het geheel - aan de man van de in de notariële akte d.d. 21 mei 1993 onder I sub C omschreven zaken, met uitzondering van de zaken waarvan het Hof in rov. 4.5.3 van zijn arrest als vaststaand heeft aangenomen dat deze zich al in het bezit van de man bevinden;
- de overige vorderingen in conventie van de man afgewezen;
In reconventie heeft het Hof de vrouw in de gelegenheid gesteld bij akte haar vordering in reconventie ad ƒ 111.375,-- nader te onderbouwen en met bescheiden te staven.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de vrouw toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 16 november 2001.