ECLI:NL:HR:2001:AD3973
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- Rechtspraak.nl
Toepassing Nederlands recht bij onrechtmatige daad inzake weigering afgifte nalatenschapsgoederen
In deze zaak gaat het om een geschil tussen broers en hun neven over de afgifte van gelden en goederen die tot een nalatenschap behoren en bij een Nederlandse bank zijn ondergebracht. De broers weigeren toestemming te geven aan de bank om deze gelden af te geven aan de kinderen, die hun neven zijn.
De kern van het geschil betreft de vraag welk recht van toepassing is op de vordering uit onrechtmatige daad die voortvloeit uit deze weigering. Het hof oordeelde dat de plaats waar de toestemming vereist is, namelijk Amsterdam, bepalend is voor het toepasselijke recht en dat dit Nederlands recht is. Dit oordeel werd aangevochten door de broers, die stelden dat het recht van hun woonplaats van toepassing zou moeten zijn.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en stelt dat de plaats waar moet worden gehandeld, hier de vestigingsplaats van de bank, bepalend is voor het toepasselijke recht. Ook het argument dat de plaats van afwikkeling van de nalatenschap relevant zou zijn, wordt verworpen. Het cassatieberoep wordt verworpen en de broers worden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de broers wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.