ECLI:NL:HR:2001:AD3959
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Nietigheid ontslag op staande voet wegens arbeidsongeschiktheid werknemer
De eiser trad in 1990 in dienst bij BNI als machinebediende. In juli 1997 bleef hij zonder ziekmelding weg van het werk, waarna BNI hem op 11 juli 1997 op staande voet ontsloeg wegens ongeoorloofd werkverzuim. De eiser stelde dat hij ten tijde van het verzuim arbeidsongeschikt was door een psychose, wat een dringende reden voor ontslag op staande voet uitsluit.
De kantonrechter en rechtbank wezen de vorderingen af, stellende dat BNI geen kennis had van de ziekte en daarom het ontslag gerechtvaardigd was. De Hoge Raad oordeelde echter dat de rechtbank had moeten onderzoeken of de eiser daadwerkelijk arbeidsongeschikt was tijdens het verzuim en dat werkverzuim geen dringende reden is als de werknemer arbeidsongeschikt is.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis en verwees de zaak terug naar het gerechtshof voor verdere behandeling, waarbij BNI de bewijslast draagt om aan te tonen dat de eiser arbeidsgeschikt was ten tijde van het verzuim. Tevens werd BNI veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt vonnis en verwijst zaak terug voor nader onderzoek naar arbeidsongeschiktheid ten tijde van werkverzuim.