ECLI:NL:HR:2001:AB2789
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- A.G. Pos
- A. Hammerstein
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Vordering tot onderhoudsbijdrage voor minderjarig kind na betwisting vaderschap
De vrouw verzocht bij het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen dat de man werd veroordeeld tot betaling van een maandelijkse onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kind, geboren in 1992. Het Gerecht wees de vordering toe nadat de man niet meewerkte aan een DNA-onderzoek dat zijn vaderschap moest bevestigen of ontkrachten.
De man ging in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bevestigde de veroordeling. Vervolgens stelde de man beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Hij betoogde onder meer dat het Hof ten onrechte niet had teruggekomen op eerdere jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat bepaalde wettelijke bepalingen niet in strijd waren met internationale verdragen.
De Hoge Raad oordeelde dat het beroep op de verdragsbepalingen faalt en dat de eerdere jurisprudentie standhoudt. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing. De kosten van het cassatieproces werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.