ECLI:NL:HR:2001:AB2565
Hoge Raad
- Cassatie
- C.H.M. Jansen
- J.B. Fleers
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in cassatie wegens ontbreken advocaatstekeningen
Verzoekster heeft klachten ingediend tegen verweerster bij de Raad van Toezicht op de Advocatuur in de Nederlandse Antillen. De klachten werden ongegrond verklaard en de rekening van verweerster werd goedgekeurd. Verzoekster stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van Appel, die de beschikking bevestigde.
Vervolgens heeft verzoekster twee cassatierekesten ingediend bij de Hoge Raad. De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster omdat de cassatieverzoekschriften niet door een advocaat waren ondertekend.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en artikel 426a Rv in burgerlijke zaken een advocaat de verzoekschriften moet ondertekenen. Omdat verzoekster dit niet had gedaan, werd zij niet-ontvankelijk verklaard in haar beroepen.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoepen wegens het ontbreken van advocaatstekeningen.