ECLI:NL:HR:2001:AB2563
Hoge Raad
- Cassatie
- C.H.M. Jansen
- J.B. Fleers
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vrijwillige beëindiging arbeidsovereenkomst zonder schriftelijke bevestiging
Eiser was sinds mei 1996 als chauffeur in dienst bij FVC. In de zomer van 1996 wilde hij een eigen koeriersbedrijf starten en voerde hij gesprekken met de directie van FVC. FVC bevestigde per brief van 12 augustus 1996 dat zij akkoord gingen met het voornemen van eiser om per 1 oktober 1996 als zelfstandig ondernemer te beginnen. Ondanks ontkenning van eiser dat hij de arbeidsovereenkomst had opgezegd, staakte FVC de loonbetalingen vanaf 1 oktober 1996.
Eiser vorderde betaling van achterstallig loon en vakantiebijslag. De Kantonrechter wees deze vorderingen toe, maar de Rechtbank vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen af. De Rechtbank oordeelde dat voor bewijs van vrijwillige beëindiging niet per se een schriftelijke bevestiging nodig is, maar dat de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring of gedraging moet hebben gegeven, en de werkgever zich met redelijke zorgvuldigheid moet hebben verzekerd van de beëindigingswil.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van eiser en bevestigt dat de Rechtbank geen rechtsregel heeft geschonden door niet te eisen dat een schriftelijke bevestiging van de werknemer wordt overlegd. De Hoge Raad veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 1996 vrijwillig door eiser is beëindigd.