ECLI:NL:HR:2001:AB2024
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- C.H.M. Jansen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging mentorschap en bewindvoering ondanks bezwaar verzoekster
In deze zaak gaat het om het instellen van een mentorschap en bewind over de goederen van een moeder die niet meer in staat is haar belangen zelf te behartigen. De Kantonrechter stelde het mentorschap in met benoeming van een dochter tot mentor en stelde het bewind in met benoeming van een stichting tot bewindvoerder. Verzoekster, een andere dochter, maakte bezwaar tegen deze benoemingen en stelde zich op het standpunt dat zij zelf bewindvoerder moest worden en een onafhankelijke derde mentor.
De Rechtbank te 's-Gravenhage bekrachtigde de beschikkingen van de Kantonrechter. Zij oordeelde dat verzoekster niet aannemelijk had gemaakt dat een andere mentor dan de benoemde zuster noodzakelijk was en dat de stichting als bewindvoerder het beste de belangen van de moeder kon behartigen vanwege tegenstrijdige financiële belangen van verzoekster.
De Hoge Raad stelde vast dat de Rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden door partijen niet te laten reageren op een verklaring van de moeder, maar oordeelde dat dit geen nadeel had opgeleverd voor verzoekster. De overige klachten van verzoekster faalden, waaronder het argument dat de volmacht van de moeder aan verzoekster het mentorschap en bewind zou verhinderen. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het mentorschap en bewind over de moeder.