ECLI:NL:HR:2001:AB2018
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- W.H. Heemskerk
- R. Herrmann
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid kantonrechter bij vordering nabestaande op grond van werkgeversaansprakelijkheid
In deze zaak vordert de weduwe van een overleden werknemer, [verweerster], schadevergoeding van Jemo wegens het derven van levensonderhoud na het overlijden van haar echtgenoot als gevolg van een arbeidsongeval. De vordering is gebaseerd op werkgeversaansprakelijkheid volgens artikel 7:658 BW Pro en de regeling van artikel 6:108 BW Pro.
De Rechtbank gelastte een comparitie van partijen en stelde de zaak aanhangig. Jemo stelde hoger beroep in tegen een tussenvonnis, maar het Hof verklaarde Jemo niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en verwees de zaak terug naar de Rechtbank. Jemo stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.
De Hoge Raad oordeelt dat de vordering van [verweerster] een vordering is die 'betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst' is in de zin van artikel 39 onder Pro 2° van de Wet op de rechterlijke organisatie, waardoor de kantonrechter bevoegd is. Omdat Jemo geen exceptie van onbevoegdheid heeft voorgesteld, heeft de Rechtbank in hoogste feitelijk ressort rechtgesproken en staat hoger beroep niet open. Het hoger beroep van Jemo is daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Verder stelt de Hoge Raad dat het arrest van het Hof het eindarrest is en dat de verklaring dat cassatie slechts tegelijk met de einduitspraak kan worden ingesteld, niet op de wet is gegrond. Het cassatieberoep van Jemo is ontvankelijk en wordt verworpen. Jemo wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de bevoegdheid van de kantonrechter bij de vordering van de nabestaande op grond van werkgeversaansprakelijkheid.