ECLI:NL:HR:2001:AB1609

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36336
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over de fiscale behandeling van privégebruik van een personenauto door een ondernemer

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 mei 2001 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1997. De belanghebbende, een ondernemer die ook in dienstbetrekking werkzaam is, had bezwaar gemaakt tegen de aanslag die door de Inspecteur was opgelegd. Deze aanslag was na bezwaar verminderd tot een belastbaar inkomen van € 85.166. De belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof te Leeuwarden, dat de uitspraak van de Inspecteur bevestigde. Hierop heeft de belanghebbende cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft de klachten van de belanghebbende beoordeeld. De kern van de zaak was de fiscale behandeling van het privégebruik van een personenauto die de belanghebbende tot zijn ondernemingsvermogen rekende. Het Hof had geoordeeld dat de belanghebbende niet had aangetoond dat de auto in het onderhavige jaar voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden was gebruikt. De belanghebbende stelde dat de kilometers die hij had gereden voor zijn dienstbetrekking niet als privégebruik moesten worden aangemerkt.

De Hoge Raad oordeelde dat het gebruik van de auto voor de dienstbetrekking als privégebruik moest worden aangemerkt, tenzij er een vergoeding voor de kosten van dat gebruik in de winst was opgenomen. De Hoge Raad concludeerde dat er in dit geval geen omstandigheden waren die een uitzondering op deze regel rechtvaardigden. De overige klachten van de belanghebbende konden evenmin tot cassatie leiden, omdat deze niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad heeft uiteindelijk het beroep ongegrond verklaard en geen termen aanwezig geacht voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

Nr. 36336
16 mei 2001
YS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 16 juni 2000, nr. 89/99, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ¦ 85.166.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is ondernemer. Daarnaast is hij werkzaam in dienstbetrekking. Belanghebbende heeft de beschikking over een personenauto die hij tot zijn ondernemingsvermogen rekent en waarvan hij de kosten ten laste van de winst brengt.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet is geslaagd in het bewijs dat de personenauto in het onderhavige jaar voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.
3.3. In cassatie klaagt belanghebbende onder meer dat het Hof niet is ingegaan op zijn stelling dat de, in de door hem overgelegde kilometeradministratie opgenomen, kilometers die zijn gemaakt ten behoeve van zijn dienstbetrekking, niet als privégebruik zijn aan te merken.
3.4. De klacht kan niet tot cassatie leiden. Indien een ondernemer de door hem gehouden personenauto, waarvan hij alle kosten ten laste van de winst brengt, mede gebruikt ten behoeve van een door hem uitgeoefende dienstbetrekking, zal voor de toepassing van artikel 42, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) dat laatstbedoelde gebruik als privé-gebruik moeten worden aangemerkt, tenzij een vergoeding voor de kosten van dat gebruik in de winst is opgenomen, of het loon uit dienstbetrekking deel uitmaakt van de winst uit onderneming. De stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat in het onderhavige geval geen sprake is van omstandigheden die een van de hiervóór genoemde uitzonderingsgronden van toepassing doen zijn, zodat het gebruik van de auto ten behoeve van de dienstbetrekking voor de toepassing van artikel 42, lid 5, van de Wet als privé-gebruik moet worden aangemerkt.
3.5. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer F.W.G.M. van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2001.