ECLI:NL:HR:2001:AB1431
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt terugvordering bijstand wegens onjuiste toepassing hoofdelijkheid en onvoldoende motivering dringende redenen
De zaak betreft een terugvordering van kosten van bijstand door de gemeente Groningen van een vrouw en haar ex-echtgenoot. De man en vrouw waren gehuwd in gemeenschap van goederen en ontvingen een ABW-uitkering op gezinsnorm. Na verkoop van de echtelijke woning werd de opbrengst niet aan de gemeente gemeld, waarna de gemeente de bijstand beëindigde en terugvordering vorderde.
De kantonrechter en rechtbank wezen het verzoek van de gemeente toe, waarbij de vrouw hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor de terugbetaling. De vrouw voerde verweer dat zij niet op de hoogte was van de financiële situatie en de omvang van het vermogen na verkoop van de woning. De rechtbank verwierp dit verweer en ging uit van een gezamenlijke huishouding gedurende de gehele periode.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onjuist heeft geoordeeld over de hoofdelijkheid voor de periode na feitelijke scheiding en onvoldoende heeft gemotiveerd of er dringende redenen waren om terugvordering geheel of gedeeltelijk achterwege te laten. Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis en verwijst de zaak naar het hof voor verdere behandeling. De gemeente wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt vonnis en verwijst zaak naar hof wegens onjuiste toepassing hoofdelijkheid en onvoldoende motivering.