ECLI:NL:HR:2001:AB1427
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest over bankvordering inzake aandelenkapitaal DPA en toepassing art. 1:88 BW
De bank vorderde van verweerder 1 dat hij binnen 14 dagen een bedrag van ƒ 1.000.761,-- als aandelenkapitaal ten behoeve van D.P. Advertising B.V. (DPA) zou storten. Bij gebreke daarvan vorderde de bank betaling van dit bedrag, met een subsidiaire schadevergoeding. De rechtbank wees de vorderingen af, en het Hof bekrachtigde dit oordeel. De Hoge Raad stelt vast dat het Hof ten onrechte aannam dat een brief afkomstig was van de bank terwijl deze van DPA was, wat het oordeel over afstand van rechten door de bank onbegrijpelijk maakt.
Verder oordeelde het Hof dat de verklaring van verweerder 1, die geen aandeelhouder was, onder de werking van art. 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder c, BW valt, omdat hij zich sterk maakte voor de kapitaalstorting. De Hoge Raad bevestigt dat deze kwalificatie niet onjuist is en dat het Hof dit oordeel niet op juistheid kan toetsen omdat het feitelijke waarderingen betreft.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Den Haag en verwijst de zaak naar het Hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing. Verweerder 1 en verweerster 2 worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Den Haag wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Hof Amsterdam voor verdere behandeling.